‘De sfeer binnen de politie is explosief’

Agent in AMsterdam

Wijkagent Jack Druppers (54) ziet het chagrijn op de werkvloer toenemen.

Aan het eind van het gesprek begint Jack Druppers (Utrecht, 1962) zich enigszins te verontschuldigen. Misschien is hij wel zo kritisch over de eigen politieorganisatie, zegt hij, „omdat ik in een zure leeftijd” zit. De wijkagent uit de Amsterdamse Watergraafsmeer waarschuwt ook: geloof niet al die rampspoedberichten in de media. Sommige journalisten wekken wat al te gretig de indruk dat de echte schurken bij de politie werken.

„Er zijn kranten die het heerlijk vinden incidenten steeds op te kloppen. Journalisten beschuldigen ons van institutioneel racisme als er weer eens een donkere BN’er staande is gehouden. Alsof we de straat op worden gestuurd met opdrachten om bepaalde mensen te controleren. Van dat soort beschuldigingen word ik echt wild.”

De laatste jaren lijkt er geen einde te komen aan berichten over incidenten bij de politie. „Allemaal kwesties die ik me aantrek. Het beïnvloedt ook veel collega’s. Je ziet het chagrijn op de werkvloer toenemen. Je hebt het gevoel dat je nooit iets goed kan doen. Als ik tegenwoordig bij incidenten het publiek op afstand probeer te houden, ben ik al bij voorbaat een klootzak. Terwijl meer dan 80 procent van de collega’s nog steeds heel dienstbaar is en het beste voor heeft met de samenleving.”

Jack Druppers werkt al een kwarteeuw bij de politie. Hij schrijft indringende columns over zijn ervaringen in het Hollands Maandblad. „Sinds het begin van de nationale politie, in 2013, is het werk een stuk bureaucratischer. De politie is een anoniem apparaat geworden. Er zitten politiemensen ziek thuis die niets horen omdat ze niet tot een specifieke afdeling behoren. Niemand mist hen. Ze hebben alle kleine politiebureaus gesloten en iedereen in politiefabrieken gegooid. Ik kom nu elke dag in mijn bureau mensen tegen die ik nooit eerder heb gezien. Er is ook ruimtegebrek. Veertien wijkagenten delen bij ons één kamertje met zeven werkplekken.”

Een kwestie die volgens hem ook voor steeds meer spanningen zorgt bij de politie: de pogingen om de organisatie veelkleuriger te maken. De Amsterdamse politiebaas Pieter-Jaap Aalbersberg moest in juni op vredesmissie langs zijn eigen districten, toen bekend werd dat hij een debat wilde over de mogelijkheid agenten hoofddoekjes te laten dragen.

„Laatst haakte een gemotiveerde teamchef af, omdat ze te horen had gekregen dat het geen zin had te solliciteren naar de functie van chef bij een rechercheteam. Na vele tropenjaren wilde zij, een prima vakvrouw en onder het personeel zeer geliefd, iets anders, maar op de plek die zij ambieerde zou een collega met diverse achtergrond komen. Zonder sollicitatieprocedure. Alle leidinggevende plekken die vrijkomen in Amsterdam zijn gereserveerd voor diversiteit. De meeste collega’s zijn voorstander van meer diversiteit, maar nu wordt het, net als in de jaren negentig, geforceerd door de strot geduwd. Carrièrekansen van autochtone politiemensen nemen behoorlijk af door deze ‘positieve discriminatie’. Van meerdere collega’s met een diverse achtergrond heb ik vernomen dat zij er ook niet blij mee zijn. Zij worden nu eerder beoordeeld door collega’s op de voorkeursbehandeling die zij hebben genoten, dan op hun kwaliteiten. Door de aanhoudende incidenten, de toenemende bureaucratie en de voortdurende reorganisatie, ervaar ik een explosieve sfeer.”

De belofte van de korpsleiding en minister van Justitie dat alles beter en rustig wordt als de reorganisatie eindelijk is afgerond, leidt tot ongeloof bij Druppers. „Dat zie ik niet gebeuren. Ik ben ervan overtuigd dat we weer terug de wijken in moeten. Er zijn maar een paar incidenten nodig die bewijzen dat wij het veel geroemde zicht op de haarvaten van de samenleving verloren zijn, en de politiek zal gaan morren. Dan komen er weer wijkteams, dat kan niet anders. Niet voor niets verschuift veel criminaliteit naar de provincie; door onderbezetting en de enorme grote bewakingsgebieden is voldoende politietoezicht nagenoeg onmogelijk.”