Avontuurlijke fotografe Ata Kandó had tomeloze energie

Fotografe Ata Kandó (1913 – 2017) Ook al had ze veel lichamelijke klachten, nog steeds zat fotografe Ata Kandó (103) vol plannen. Vrijdagochtend overleed ze na een kort ziekbed.

Zelfportret van Ata Kandó in Parijs (1935-1937) Foto Ata Kandó / Nederlands Fotomuseum

Dapper. Avontuurlijk. Moedig. Dat zijn de woorden die vrienden en familie gebruiken als ze het hebben over Ata Kandó. De Hongaarse fotografe, met haar weerbarstige witte haardos en levendige ogen, woonde al jaren in Nederland. Ze zou komende zondag 104 jaar oud zijn geworden. Ze haalde het net niet. Vrijdagochtend overleed ze, na een kort ziekbed, in haar flat in Huis de Rekere in Bergen.

Kandó, die in 1913 in Boedapest in een joods gezin werd geboren als Etelka Görög, voltooide als een van de eerste vrouwen in de jaren dertig een opleiding fotografie in Boedapest. Samen met haar echtgenoot, de kunstschilder Gyula Kandó, vertrok ze in 1938 naar Parijs. Daar ging ze aan de slag als fotograaf, maar de Tweede Wereldoorlog dwarsboomde al snel hun plannen. Als buitenlanders moesten ze, na de komst van de Duitsers, noodgedwongen Frankrijk verlaten. Vier maanden zwanger ging Ata terug naar Hongarije waar in 1941 haar zoon Thomas werd geboren. Twee jaar later volgden de tweelingdochters Juliette en Madeleine.

In 1947 deed het echtpaar weer een poging om een bestaan op te bouwen in Parijs. Dat ging opnieuw mis. Vanwege aanhoudend geldgebrek keerde Gyula in 1949 alleen terug naar Hongarije. Omdat het land net communistisch was geworden, kon hij kort daarna niet meer terug. Kandó bleef alleen achter en moest drie kinderen onderhouden. Oorlogsfotograaf Robert Capa, een vriend van het echtpaar, vond voor Kandó werk in de donkere kamer van het fotoagentschap Magnum. Daar, in de doka, ontmoette ze in 1950 Ed van der Elsken. In een interview met NRC in 2007 zei Kandó hierover: „Hij was ook drukker. Gedurende de koffiepauzes hebben we kennis met elkaar gemaakt. Toen zijn we verliefd geworden.”

Hongaarse opstand

In 1954 vertrok Kandó met Van der Elsken naar Nederland. Daar liep het huwelijk na een tijdje op de klippen. Kandó werd lid van de Gebonden Kunsten Federatie (GKf), ging als modefotograaf aan de slag en maakte daarnaast eigen werk, waaronder dromerige, poëtische fotoseries van haar kinderen. Bepalend voor haar carrière was 1956, het jaar van de Hongaarse opstand. Geraakt door het lot van duizenden Hongaarse vluchtelingen besloot Kandó naar een grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije te reizen om daar het leed van de vluchtelingen vast te leggen. Van tevoren had ze haar collega’s opgebeld. Daarover vertelde ze in 2008 in het boek Ata Kandó, Photographer: „Ik vroeg iedereen: van Cas Oorthuys tot Ed. Maar niemand ging mee. Ze vonden het te gevaarlijk.”

Tot Kandó mede-GKf-lid Violette Cornelius aan de lijn kreeg: „Zij wilde wel, op voorwaarde dat we van tevoren een uitgever zouden vinden.” Dat lukte. De Bezige Bij stemde in en de reportage resulteerde in een boek dat 500.000 gulden opleverde, wat Kandó en Cornelius ter beschikking stelden aan de opvang van vluchtelingenkinderen.

Portret uit 2013 van Kandó met haar Rolleiflex-camera. Sacha De Boer gebruikte voor deze foto een Leica, de oude camera van Kandó. Sacha de Boer

Perfectionist

In de periode daarna verbleef Kandó in Nederland en doceerde aan de School voor de Grafische Vakken in Utrecht en de AKI in Enschede. „Ze kon een perfecte zwart-wit afdruk maken”, weet oud-leerling en fotograaf Ad van Denderen zich nog te herinneren. In de jaren zestig van de vorige eeuw kreeg hij les van Kandó. „Ze was een strenge leraar. Soms moest je een afdruk wel tien keer overdoen. En dan had je nog geluk. Ata was uitermate perfectionistisch.” Ook ging ze in die periode een aantal keer naar het Amazonegebied om het leven van de indianen vast te leggen. Het resultaat werd gebundeld in het boekje Slaaf of Dood en de foto’s werden vele malen op verschillende plekken in de wereld tentoongesteld. Desondanks raakte Kandó in die periode in de vergetelheid.

In 1979 vertrok ze naar de Verenigde Staten waar ze twintig jaar woonde en al die tijd bleef werken als fotograaf. Pas 1999 keerde ze weer terug naar Nederland. Doordat ze veel had gereisd, en met name had gefotografeerd wat op haar pad kwam zonder een gericht oeuvre op te bouwen, genoot ze in die periode weinig bekendheid in Nederland. Jarenlang werd ze in Nederland op feestjes of bij openingen voorgesteld als ‘de eerste vrouw van Ed van der Elsken’. Daarover vertelde ze in 2008: „Ik wil niet klagen hoor, maar eigenlijk ben ik in Nederland altijd een beetje gediscrimineerd. Ten eerste omdat ik een Hongaarse vluchtelinge ben. En ten tweede omdat ik getrouwd was met de beroemdste fotograaf van Nederland. Daar kom ik nooit van los.” Toch was ze Van der Elsken ook dankbaar. „Door hem heb ik hier een leven kunnen opbouwen. Dat had ik in geen ander land kunnen doen.”

Meer foto’s van Kandó zijn te zien in deze In Beeld-serie.

Erkenning

Dat ze vanaf het begin van deze eeuw meer erkenning kreeg voor haar werk deed haar goed. Zo was er in 2004 een speciale expositie in Amsterdam ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag. In 2007 werden de foto’s van de Hongaarse vluchtelingen weer geëxposeerd en werd haar ‘rode boekje’ over de Hongaarse vluchtelingen opnieuw uitgebracht door het Nederlands Fotomuseum. En vorig jaar hield het Nederlands Fotomuseum nog een overzichtstentoonstelling van haar werk, naast portretten van collega-fotografen. Zelf was Kandó vooral trots op het werk dat ze samen met haar kinderen maakte.

Lees ook Liefdevol eerbetoon aan Ata Kandó, over de expositie van en over Kandó die in december in het Nederlands Fotomuseum te zien was

In 2006 kwam, nadat de foto’s vijftig jaar in een la hadden gelegen, het fotoboek Kalypso & Nausikaä uit, een poëtisch beeldverhaal geïnspireerd op Homerus’ Odyssee, dat ze maakte op een vakantie in Zuid-Italië in 1956 en waarvoor haar kinderen poseerden. Ook de melancholieke foto’s uit het sprookjesboek Droom in het woud (1957) verschenen opnieuw in een editie van Foam Magazine. Al die aandacht maakte haar zeer gelukkig want, in tegenstelling tot haar goede vriendin, de Hongaarse fotografe Eva Besnyö (1910-2003), wist Kandó nooit haar eigen werk goed te promoten. „Ik ben een slechte zakenvrouw”, gaf ze ooit toe in een interview met NRC.

Dat neemt niet weg dat ze, tot aan haar dood, werd gedreven door een tomeloze energie. Ook al waren haar gehoor en zicht inmiddels slecht, en had ze veel lichamelijke klachten, nog steeds zat Kandó vol plannen. „Ze wilde een nieuw fotoboek over dieren maken en nog een boek over de schrijver Jack London.” vertelt Sacha de Boer die afgelopen week nog bij Kandó langsging. „Ze was ook nog van plan een werk van haar moeder uit het Hongaars te laten vertalen. Die bevlogenheid, dat typeerde haar.” Ook galeriehouder Roy Kahmann, die sinds 2006 het werk van Kandó vertegenwoordigt, prijst haar doorzettingsvermogen. Hij noemt Kandó ‘een van de moedigste dames die ik ooit heb gekend’. „Dat wat ze in haar kop had, moest gebeuren. Echt, ze was niet te stoppen.”

Rotsvast vertrouwen

Dat ze zo oud was, en zo’n uitzonderlijk heldere geest had, maakte haar ook een beetje onsterfelijk, meent fotograaf Leo Erken. De afgelopen decennia onderhield hij nauw contact met Kandó. Anderhalf jaar geleden ging hij nog bij haar langs en vroeg haar naar haar allereerste herinnering. „Ze vertelde dat ze vier was en met haar moeder een paar schoenen ging halen bij het Rode Kruis. Ze waren arm. Het was oorlog. Dat was in Boedapest in 1917. Een eeuw geleden. Ongelooflijk.”

Zelf keek Kandó met gemengde gevoelens terug op haar leven. Een van de dingen die ze maar met moeite kon verwerken was de dood van haar 19-jarige zusje Ica, die in 1945 op het Hongaarse platteland op een landmijn stapte. Ook de manier waarop ze ‘door de loop van de geschiedenis’ van haar eerste man Gyula was gescheiden, bleef ze betreuren. Toch heeft haar rotsvaste vertrouwen in het lot haar altijd op de been gehouden. Hierover vertelde ze in 2008: „Ik ken weinig schuldgevoelens. Er zijn nu eenmaal dingen die mensen overkomen. Iedereen maakt fouten. En ik heb eigenlijk zoveel geluk gehad. Zo heb ik kunnen leven. Het was vaak extreem moeilijk. Voor mij, maar ook voor mijn drie kinderen. Het is soms vreselijk om daar aan te denken. Maar om er niet aan te denken, helpt ook niet. Je kunt het verleden niet uitwissen.”