Recensie

Proustiaans het mapje ‘Oude documenten’ openen

Beschouwingen over de digitale wereld worden gedomineerd door onheilsprofeten en tech-optimisten. Miriam Rasch streeft hen voorbij met haar persoonlijke essays.

Vorig jaar zomer stierf het Internet. Na pakweg veertig jaar besloot persbureau AP het woord niet langer met een hoofdletter te schrijven. Het woord, zo lichtte het persbureau toe, was een ‘generieke term’ geworden, inmiddels zo ingeburgerd dat het maar beter ontdaan kon worden van de voorname kapitaal.

Je kunt het al haast fantaseren: zou ‘internet’ als woord ooit helemaal verdwijnen, ingesloten door een werkelijkheid die zelfs op de meest onbereikbare plekken niet meer offline te noemen is?

Het is misschien wel een mooie illustratie van de ‘postdigitale conditie’, het thema van Miriam Rasch’ essaybundel Zwemmen in de oceaan. In onze wereld is het virtuele zo vanzelfsprekend en alomtegenwoordig geworden dat het onzinnig is om nog onderscheid te maken met het analoge. Er is niet meer een leven dat ‘echter’ is dan dat online: de digitale sfeer omringt ons ‘soms fris en ademend, soms stroperig, als een rag van data en algoritmes’.

Over die verhouding tussen mens en techniek wordt wat af geschreven. Grofweg heb je aan de ene kant de onheilsprofeten, die de noodklok luiden over smartphone-zombies en weggescrollde empathie, en daartegenover de tech-utopisten, die jubelen over de kwantificeerbare mens.

Wat Rasch (1978) – onderzoeker en docent aan de Hogeschool van Amsterdam – doet, is veel interessanter, alleen al door de vorm die ze kiest: persoonlijke essays. Ze geeft in haar inleiding, met een knipoog Terms of Service genoemd, toe: iets meer dan de helft van het geschrevene gaat over ‘mezelf’. Om te onderzoeken wat er aan de digitale mens nog analoog is, waarin hij ontelbaar is en zelfs voor Mark Zuckerberg een mysterie, kun je niet anders dan uitgaan van de eigen, subjectieve ervaring. Juist als digital native draal je rond in een spiegelpaleis, voortdurend geconfronteerd met jezelf maar tegelijk voortdurend op zoek naar dat zelf.

Zwemmen in de oceaan gaat over Twitter, smartphones en Excel-sheets, maar bovenal over de kleine en grote, mooie en beangstigende manieren waarop die ons leven beïnvloeden. Wat betekent het eigenlijk, dat je door het aanklikken van een mapje ‘Oude documenten’ achter je bureau plots een Proustiaanse ervaring kunt hebben? Wat is de romantiek van de flirt in de 160 tekens van een sms? Waarom is het heerlijk én vreselijk om te verdrinken in de afleidingsmachine die het internet is?

Rasch blijft, om het in Facebook-achtige taal te zeggen, dicht bij zichzelf, maar dat neemt niet weg dat ze ook haarscherp de problemen met transparantie en datahonger duidt. Meer dan alleen om privacy gaat het immers om fundamentele vragen: hoe kenbaar is de mens, wat is toeval, wat is vergeten? Herkenbare anekdotes worden voortdurend afgewisseld met relevante voorbeelden uit de literatuur en knap genoeg slaagt Rasch erin om Kierkegaard en Nietzsche te verbinden met YouTube en bloggen, zonder dat het potsierlijk wordt.

De slotsom, dat er ondanks alle data die men over ons verzamelt altijd nog iets onkenbaars achterblijft, is zowel een geruststelling als een waarschuwing. Nee, je zult nooit samenvallen met je data, hoe big ze ook worden, maar juist daarom moeten we ervoor waken dat ook anderen ons er niet toe reduceren.