Opvoeden is soms ook capituleren

Schrijver Arnon Grunberg vervangt twee weken non-stop een vader in een Zutphens gezin met vier kinderen. Hij doet dagelijks verslag.

De eerste fluisterboot die op een bewolkte namiddag in Zutphen vertrekt, is gevuld met jongeren die aan het syndroom van Down lijden, de tweede fluisterboot is gevuld met bejaarden, een vervangvader en drie kleuters.

Ronja, de oudste, heeft een vriendje meegenomen, Leonard.

We zijn nog geen tien minuten onderweg als Thura vraagt: „Duurt het nog lang?” Het duurt nog ruim een uur, maar ik antwoord: „Heel even.”

Uit verveling of uit liefde voor Leonard klimt Ronja wijdbeens op de schoot van de jongen. Aan zijn gezicht valt niet af te lezen of hij dit leuk of vervelend vindt, maar hij lijkt me een kleuter die met gepaste berusting veel ondergaat.

Enkele bejaarden om me heen werpen me afkeurende blikken toe. Ze vinden het kennelijk ongepast dat kleuters de liefde naspelen, maar de vervangvader grijpt niet in. Hij vindt het prima. We zitten nog een uur op de boot en onnodig conflict met mijn kinderen dient te worden vermeden, temeer daar Thura, misschien uit jaloezie omdat haar zusje de liefde lijkt te hebben gevonden, zich telkens zo ver vooroverbuigt dat ze in het water dreigt te vallen. Als ik dat probeer te verhinderen slaat ze mijn arm weg en roept: „Ik wil in het water kijken.”

„Maar daar is niets te zien”, probeer ik nog, „kijk dan waar al die mensen heen kijken.”

„Dat is stom”, roept ze.

De vervangvader besluit verder zijn mond te houden, gelukkig bemoeien de bejaarden zich er niet mee. Opvoeding is voor een groot gedeelte het vermijden van conflicten. Indien nodig dient de opvoeder zich zo onzichtbaar mogelijk te maken. Ja, opvoeden is ook capituleren op de juiste momenten.

De fluisterboot is paradijselijk vergeleken met de tocht de volgende ochtend door de regen op een bakfiets, twee jonge kinderen in de bak, op weg naar binnenspeelplaats Ballorig. De moeder is elders, de vervangvader staat er alleen voor. Dat is prima, zo krijg je een band met de kinderen, hoewel ik me iets beter had kunnen voorbereiden op een band met de bakfiets.

Het lukt me nog net een fietser te ontwijken, maar een bejaarde kan ik alleen redden door hard te roepen: „Ga opzij, man.”

Ik voel me een terrorist en terwijl ik de bejaarde net niet schep, zie ik de krantenkoppen al voor me: ‘Schrijver doodt twee kinderen en bejaarde. Politie vermoedt opzet.’

Vervolgens de binnenspeelplaats. Het woord ‘hel’ krijgt een nieuwe invulling.

(Wordt vervolgd)