Recensie

Mooie presentatie Vlaamse portretschilders

Vlaamse portretten Een mooie selectie van geschilderde portretten uit de Renaissance en Barok in het Mauritshuis is te beperkt om representatief te zijn voor drie eeuwen portretschilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden.

Hans Memling: ‘Portret van Bernardo Bembo’, c 1471-1474 Foto Hugo Maertens / KSMSKA/ Lukas - Art in Flanders

Een markante kop blijft je bij. Tussen schilderijen van mannen en vrouwen die op hun paasbest en hun voordeligst poseren, springt het portret van Abraham Grapheus eruit. De Antwerpse schilder Cornelis de Vos beeldde hem in 1620 uit op een paneel van ruim een meter hoog dat nu hangt in een tentoonstelling van Vlaamse portretten in het Mauritshuis. Op het eerste gezicht is zijn verschijning ietwat sjofel, met zijn loshangende kraag, een grijze stoppelbaard en een warrige haardos. Die aspecten contrasteren met de kostbare voorwerpen die hem omringen. Op tafel staan rijk versierde, vergulde kelken, en zijn borst is bedekt met zilveren trofeeën in de vorm van schilden. Ze verwijzen naar Grapheus’ werkgever, het Antwerpse Sint-Lucasgilde, de beroepsvereniging van schilders.

Van Grapheus is bekend dat hij zelf lid was van het gilde. Blijkbaar viel het hem zwaar van de kunst te leven want in de tijd waarin hij werd geportretteerd, werkte hij als ‘knaep’ ofwel bediende van het gilde. In die functie was hij verantwoordelijk voor de keuken, de bediening en de organisatie van de gildefeesten. Het verklaart zijn informele pose en kleding met een witte doek bij wijze van schort om zijn middel geknoopt. Zijn bleke, gegroefde gezicht met roodomrande ogen maakte blijkbaar grote indruk op de gildeleden als Antoon van Dyck en Jacob Jordaens. Regelmatig duikt het op in hun uitbeeldingen van expressieve oude mannen. Destijds zal er dan ook geen Antwerpse schilder zijn geweest die moeite had de geportretteerde in Cornelis de Vos’ schilderij te herkennen.

Paradoxaal genoeg voor een genre waarin herkenbaarheid de essentie vormt, is echter van lang niet alle oude portretten de identificatie zo eenvoudig. De opdrachtgever en het oorspronkelijke publiek van portretten van een vorst, familielid, vriend of vriendin, wisten precies wie de voorgestelde persoon was. Een goed portret gaf, hoe geflatteerd het soms ook geweest zal zijn, op een natuurgetrouwe manier een uiterlijk weer dat tijdgenoten uit eigen observatie kenden. Daarom zijn oude portretten vaak wel voorzien van opschriften met een jaartal of de leeftijd van de geportretteerde, maar veel minder frequent met diens naam. Zelfs als er een persoonlijk herkenningspunt zoals een familiewapen is toegevoegd, blijft het vaak puzzelen om te komen tot de juiste identificatie.

Erasmus Quellinus II en Jan Feijt: ‘Portret van een jongen als jager, c. 1630-1661. Foto Hugo Maertens / KSMSKA/ Lukas - Art in Flanders

De vraag naar de identiteit van geportretteerden is een rode draad die het Mauritshuis heeft gekozen om enige samenhang te brengen in een mooie presentatie van portretten uit de Zuidelijke Nederlanden in de periode van de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw. Zo goed als alle werken zijn afkomstig uit het tijdelijk gesloten Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, en met 24 werken is de keuze te klein om representatief te zijn voor die drie eeuwen portretschilderkunst in Vlaamse artistieke centra als Brugge en Antwerpen, zoals die in de Renaissance en Barok tot bloei kwam.

Aan grote namen van schilders die zich toelegden op het gedetailleerd en levensecht weergeven van de werkelijkheid is in de expositie overigens geen gebrek. Van niemand minder dan de vijftiende-eeuwse meester Rogier van de Weyden is er een fijn portret van een jonge aristocraat met opvallend lange wimpers. Op grond van het wapenschild op de achterzijde van het paneel is hij herkenbaar als de politieke windvaan Philippe de Croy. Een werk van Rogiers jongere tijdgenoot Hans Memling toont een heel precies geschilderd busteportret van een langgelokte man in het zwart tegen de achtergrond van een berglandschap met bomen en een riviertje. Een palmboom in de achtergrond en twee laurierbladen aan de onderrand van het schilderij, lijken erop te wijzen dat dit een beeltenis is van Bernardo Bembo, Venetiaans ambassadeur in de Bourgondische Nederlanden. Zijn persoonlijk embleem bevat immers een palmboom en een lauriertak.

Meester van Frankfurt: Zelfportret met echtgenote, 1496.

Foto Hugo Maertens / KSMSKA/ Lukas - Art in Flanders
Rechts ‘Portret van Abraham Grapheus’
Foto Hugo Maertens / KSMSKA/ Lukas - Art in Flanders

Een intrigerend werk waarin de voor portretten vereiste combinatie van herkenbaarheid en natuurgetrouwheid om voorrang strijden, is van de hand van een anonieme schilder uit 1496. Ondanks zijn verwarrende noodnaam ‘Meester van Frankfurt’, zal hij uit Antwerpen afkomstig zijn geweest. Het nog geen veertig centimeter hoge paneel toont de bovenlichamen van een man en een vrouw, die hoogstwaarschijnlijk de schilder zelf en zijn echtgenote voorstellen.

Op de witte hoofddoek van de vrouw en bij een schaal kersen op tafel zijn twee bromvliegen geschilderd. Hun grote afmetingen in relatie tot de veel kleiner dan levensgroot weergegeven geportretteerden, wijzen erop dat het niet de bedoeling van de schilder was te suggereren dat de insecten deel uitmaken van de geschilderde wereld. Veeleer heeft de kunstenaar de illusie willen wekken dat er echte vliegen op het paneel zijn neergestreken. Het visuele grapje leidt de aandacht nogal af, maar de huiselijke intimiteit van de scène kan het moeiteloos hebben.

De zestiende eeuw komt er in de expositie bekaaid vanaf met twee schilderijen, waarna de zeventiende weer uitpakt met werken van onder meer het Antwerpse driemanschap Rubens, Van Dyck en Jordaens. Grote doeken met portretten van aristocraten en gearriveerde burgers illustreren hun macht en welvaart. Daartussen vormt Cornelis de Vos’ Portret van Abraham Grapheus een krakende dissonant. De gouden gildebokaal in zijn linkerhand wijst op de rijkdom van het gilde en het succes van de leden. Maar zijn schort en de tinnen wijnkruik in zijn rechterhand verraden zijn eigen nederige functie. Misschien was het daarom dat de sensibele geest Vincent van Gogh, toen hij het werk in 1885 zag, verklaarde dat juist dit uitgesproken portret hem bijzonder trof.