Column

Mogen alle duivels op één marxistische hoop schijten?

Dat er een rechte lijn zou lopen van Mao naar Sylvana Simons is a-historische kletskoek, schrijft Hubert Smeets.

De theorie dat de westerse samenleving sinds de jaren 60 door ideologische houtworm wordt uitgehold is al oud, maar sinds deze zomer weer springlevend. „De cultureel marxisten”, die voortborduren op de Italiaanse communist Gramsci en Frankfurter Schüler Adorno, „hebben geen rust voordat u onderworpen bent”, zo stelde oud-VVD’er Paul Cliteur vast.

In deze krant meldde de socioloog Eric Hendriks uit Beijing zich. Hij herleidt het cultuurmarxisme niet naar Mussolini’s cel, waar Gramsci (1891-1937) vanaf 1926 gevangen zat en feitelijk stierf, maar naar de Sovjet-Unie en China twee decennia later. Hendriks schreef: „Cultuurmarxisme is het streven naar een gelijkgetrokken, geproletariseerde cultuur. Het had zijn hoogtijdagen in het midden van de 20ste eeuw in communistische landen maar liet een blijvende invloed achter, ook in het Vrije Westen”. De Culturele Revolutie in China was „slechts de extreemste uiting” van die internationale beweging. Volgens Hendriks is Sylvana Simons er een exponent van.

Met zevenmijlslaarzen ben je inderdaad snel thuis. Maar klopt de historische analogie ook?

Eerst een definitiekwestie. Volgens Cliteur is kenmerkend voor het cultuurmarxisme dat het zich opwerpt „als woordvoerder van ‘vrouwen’, ‘minderheden’, ‘homoseksuelen’ en vele andere nieuw uitgevonden groepen onderdrukten”. Als dat waar is, is dit is iets heel anders dan een gelijkgeschakelde geproletariseerde cultuur.

Lees ook de column van Maxim Februari: De term cultuurmarxisme is een nieuw hondenkoekje

De datering van Hendriks is even verwarrend. In de jaren 50 volgden communistische landen nog ordelijk het klassieke marxisme-leninisme. Stalin dacht na 1945 even dat jazzmuziek hem ideologisch van pas kon komen, maar toen duidelijk werd dat de bebop zijn eigen dynamiek had, moesten zijn onderdanen weer gewoon naar marsmuziek luisteren. Ook andere communistische leiders hadden een hekel aan moderne fratsen. Componist Dmitri Sjostakovitsj werd beschuldigd van „formalisme” en abstracte schilders werd in 1962 bij monde van Sovjetleider Nikita Chroesjtsjov ronduit „de oorlog verklaard”.

De vergelijking tenslotte is onhoudbaar. De Culturele Revolutie was zeker een extreme uiting: zij het niet van cultuurmarxisme maar van stalinisme, waaraan Mao met de Grote Sprong Voorwaarts ook schatplichtig was. Als er een analogie is, dan is het met Stalins Grote Terreur in 1937.

Ik ontken niet dat in de jaren 60 in het Westen mensen in Mao-pakken rondliepen. Maar de linkse goegemeente koos er niet voor Bach ook hier te verbieden.

De namen van twee jonge Duitse theoretici illustreren dat: Josha Schmierer (1942) en Hans Jürgen Krahl (1943-1970), twee gestaalde marxisten.

Schmierer was maoïst. Hij eiste dat studenten de universiteit verlieten en teruggingen naar de arbeiders. Niet ouwehoeren, maar fabriekswerk: ‘individueel klassenverraad’, heette dat. Krahl vond dat de nieuwe linkse intelligentsia bij de les moest blijven. Hij was leerling van de Duitse socioloog Theodor Adorno van de Frankfurter Schule en pleitbezorger van wat Rudi Dutschke de „lange mars door de instellingen” noemde. Krahl won. De CPN zou er in 1982-’84 kapot aan gaan. Toen in die club de klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid werd verdund met seksestrijd en andere tegenstellingen was het gedaan met dé partij. De SP is niet voor niets zo gebeten op critici als Sharon Gesthuizen.

Dat er een rechte lijn zou lopen van Mao naar Simons is a-historische kletskoek. Marx heeft er recht op niet op zijn kop te worden gezet, louter omdat de nu oprukkende nieuwe elite alle duivels tegelijkertijd op die ene vermeende cultuurmarxistische hoop wil laten schijten.