Jongens zijn geen probleem, wél anders

Onderwijs

Jongens presteren slechter op school dan meisjes. Ze krijgen een lager schooladvies, blijven vaker zitten, vallen vaker uit. Nu komt er een ‘actieve’ school – voor jongens én meisjes.

Mogen jongens nog wel jongens zijn, vroeg SIRE zich af. De kritiek was niet mals. Ook meisjes zouden willen ravotten. Foto Roos Koole/ANP

Als een vierjarige jongen van een tak een pistool maakt, zeggen we: doe dat nou niet. Als een moeder vertelt te zijn bevallen van een derde zoon, zeggen we: nou, succes! Kimo Steenaart, docent Engels en moeder van twee zoons, begon dat soort opmerkingen over jongens op te vallen. Tegelijkertijd zag ze op school dat veel getalenteerde jongens niet meekomen in het systeem van stilzitten en luisteren.

Zo kwam Steenaart op het idee voor een ‘actieve vmbo-school’. Een school waar elke dag gesport wordt, structuur is, leerlingen mogen leren in alle standen (dus ook lopend of liggend) en waar 20 procent van de tijd wordt besteed aan ‘luisteren en zitten’ en de rest aan ‘doen’. Die school wordt volgend jaar geopend in Amsterdam.

Jongens presteren al jaren slechter op school dan meisjes. Ze krijgen een lager schooladvies, blijven vaker zitten en vallen vaker uit. Ze worden ook meer gediagnosticeerd met ADHD. ‘Mogen jongens nog wel jongen zijn?’ vroeg de ideële reclamestichting SIRE zich daarom onlangs af in een campagne – die veel bekritiseerd werd, want ook meisjes zouden willen ravotten.

De vraag blijft overeind: heeft het onderwijs een jongensprobleem?

Pedro De Bruyckere, pedagoog aan de Arteveldehogeschool in Gent, heeft moeite met dat idee. „Er zijn zeker meer jongens dan meisjes die onder het gemiddelde presteren, maar er zitten óók nog steeds jongens aan de top voor veel vakken. Meisjes lijken vaker in het midden te zitten. Met een term als ‘jongensprobleem’ misken je dat. En het is ook niet eerlijk naar de meisjes die uitvallen.”

Want het onderwijs ‘verliest’ ook een deel van de meisjes, benadrukt De Bruyckere. Het aandeel van de jongens is alleen groter. „Door het zo te formuleren, denk ik dat je het probleem beter ziet.” Dat probleem, formuleert hij voorzichtig, is dat het onderwijs niet aan de individuele behoeften van alle leerlingen voldoet, waardoor leerlingen uitvallen. Dat heeft met onderlinge verschillen te maken, en die zijn groter dan de verschillen tussen jongens en meisjes.

Hoe kan het dat jongens slechter presteren? Er klinken verschillende verklaringen. Zo zou competitie in het onderwijs zijn vervangen door samenwerking, een vaardigheid waar meisjes beter op scoren. Ook het gebrek aan structuur, thuis en op school, zou meespelen: jongens hebben daar meer last van. En meisjes profiteren er meer van dat onderwijs taliger is geworden en dat zelfsturing van leerlingen wordt verwacht.

Vooral juffen

Mogen jongens nog wel jongens zijn, vroeg SIRE zich af. De kritiek was niet mals. Ook meisjes zouden willen ravotten. Foto Bram Petraeus

Ook de ‘feminisering’ van het onderwijs zou schuldig zijn: op de basisschool werken vooral juffen, waardoor jongens niet goed uit de verf zouden komen. Maar die discussie woedt al zo’n honderdvijftig jaar, blijkt uit onderzoek van hoogleraren Mineke van Essen en Greetje Timmerman. En er is geen enkel empirisch bewijs dat jongens het slechter doen bij vrouwelijke leerkrachten. Ook voor gescheiden onderwijs, zoals soms geopperd wordt, is weinig te zeggen, zegt De Bruyckere.

De hersenen van jongens en meisjes verschillen wel iets, zegt VU-hoogleraar neuropsychologie Jelle Jolles. Maar het zijn de omstandigheden die bepalen hoe het brein zich ontwikkelt. Zo zijn er breinverschillen tussen kinderen met hoog- en laagopgeleide ouders en tussen kinderen met veel en weinig stress. „Het brein is in die zin minder belangrijk dan de omgeving waarin het kind opgroeit en de sturing die het krijgt.”

Zo kan het, zegt Jolles, dat bestaande breinverschillen door de omgeving worden versterkt. „Dus als ouders een kind als ‘jongen’ of ‘meisje’ opvoeden, bepaalt dat de ervaringen en dat beïnvloedt de hersenen.”

Linda Duits, genderonderzoeker aan de Universiteit Utrecht, noemt in dat kader het nice girl-construct: meisjes moeten aardig zijn. „Behulpzaam, maar niet te wijsneuzerig; goed hun best doen op school, maar niet te streberig. Opvoeders disciplineren meisjes door zulk gedrag aan te moedigen. Meisjes doen dat ook bij elkaar, onder meer door te roddelen.”

Voor jongens is ‘braaf’ juist een verkeerd woord, zegt Duits: ze moeten stoer zijn en van competitie houden.

Werk in uitvoering

Leraren en ouders, zegt Jolles, zouden kinderen niet als jongen of meisje moeten opvoeden, maar als kind. Daarbij moeten ze wel rekening houden met de verschillen die er van nature zijn: de meeste meisjes lopen voorop in taal, jongens in ‘doen’. „We moeten ons realiseren dat kinderen nog werk in uitvoering zijn.”

Hoe? Een jongen die een beetje impulsief is, moet feedback krijgen. „Zodat hij zelfinzicht ontwikkelt, betere schoolcijfers krijgt en nieuwsgierig blijft.” Meisjes zouden juist extra gestimuleerd moeten worden in ondernemend zijn en risico’s nemen – anders dan wat de SIRE-campagne suggereerde.

De actieve vmbo-school van Kimo Steenaart is daarom niet alleen voor jongens. Ook meisjes hebben behoefte aan meer bewegingsvrijheid in de klas, denkt ze.

Lang stilzitten heeft nadelen, blijkt uit steeds meer onderzoeken. Zo meldde de Rijksuniversiteit Groningen onlangs dat je springend beter zou leren. Jongens én meisjes.