Hoe je een partner met een burn-out kunt helpen

Burn-out Je kunt kleine dingen doen als je partner of gezinslid een burn-out heeft. Het allerbelangrijkste is: lichtpuntjes voorhouden.

Illustratie Lynne Brouwer

Het leek zo’n goed idee, om na die laatste grote opdracht een sabbatical te nemen. Maar toen die periode van contemplatie in maart 2015 aanbrak, kwam Joop (nu 53) tot stilstand. Niet piepend en krakend, maar abrupt. Kiki (48) stond erbij en keek ernaar. Ze had het zien aankomen, maar kon de burn-out niet afwenden.

Joop is ondernemer – om die reden wil hij liever niet met zijn achternaam in de krant. Kiki Voncken is zijn vrouw. Ze is ook coach en trainer en helpt mensen met een burn-out. „Dan kun je denken: fijne coach is dat, die het thuis niet eens onder controle heeft. Maar het laat juist zien dat je als partner soms machteloos bent, zelfs als het je vak is.”

Voncken herkende bij haar man de signalen wel: slecht slapen, hoofdpijn, hartkloppingen, geen zin in om te sporten of om erop uit te gaan. En ze had ook wel gezien waar de oorzaken lagen: familieleden die veel zorg nodig hadden, kwesties uit een vorige relatie en intussen keihard doorwerken, zes dagen per week. „Hij ging maar door, heel gedreven, en was intussen heel zorgzaam voor iedereen. Ik zei wel: je moet uitkijken, maar ook: ik kan jou niet helpen. Als iemand zijn gevoel zo heeft uitgeschakeld, moet hij misschien eerst de bodem van de put bereiken voordat hij er weer uitkomt.”

Joop kon het, zelfs toen de diagnose burn-out al gesteld was, niet geloven. Iets waar meer mensen last van hebben: mij overkomt dit niet, het is nu gewoon even druk, een burn-out is voor anderen. En dat maakt het voor partners lastig om in te grijpen. Als iemand zelf niet ziet, of wil zien dat het misgaat, wat kun je dan doen?

Zeg niet: ik denk dat je op een burn-out afstevent

Wat in elk geval niet werkt, volgens alle deskundigen, is zeggen: ik denk dat jij op een burn-out afstevent. Voncken: „Iemand voelt zich al zo slecht en dan zeg jij eigenlijk: je bent afgeschreven.” Beter kun je benoemen wat je ziet en vragen stellen. En proberen kleine dingen thuis te veranderen. „Diepgewortelde gewoontes zijn moeilijk te veranderen”, zegt Voncken. Iemand die heel hard werkt gaat daar waarschijnlijk niet ineens mee stoppen.

„Maar je kunt wel kleine dingen doen om thuis het energielek een beetje te dichten. Niet te veel druk leggen, even niet te veel sociale verplichtingen. Zodat het thuis rustig is.”

‘Mijn benen voelen als pudding en ik ben draaierig.’ In haar boek Op de bank beschrijft Florien Vaessen (51) hoe ze in 2012 omvalt als manager op het hoofdkantoor van ABN Amro. Hoe ze op een donderdagochtend klappertanden onder de douche staat, en het haar maar niet lukt zich af te drogen en aan te kleden. Dat haar man zegt: „Zo kun je niet werken”, en haar ziek meldt. ‘Ik trek het zachte dekbed over me heen en realiseer me dat ik Marc niet eens heb verteld hoe slecht ik me de afgelopen tijd heb gevoeld.’

Nu zegt ze over die aanloopfase: „Ik zag het niet aankomen, maar mijn man ook niet.” Een burn-out komt ineens, maar de weg ernaartoe is heel geleidelijk. „In de loop der jaren waren we een ongezonde situatie als normaal gaan accepteren. Frustraties, gemopper over het werk – het hoorde er gewoon bij. Die geleidelijkheid maakt blind. Je stopt onbewust met reflecteren.”

Omvallen was bovendien geen optie. „Je bijt door, want wat is het alternatief? Het is makkelijker door te gaan op de robotstand dan toegeven dat het niet goed gaat: dan ben je de zwakke broeder op de apenrots. Als andere collega’s omvielen dacht ik alleen maar: ik niet. Waarschuwingen had ik waarschijnlijk beledigd in de wind geslagen.”

Als je Vaessen vraagt wat de omgeving had kunnen doen, stelt ze een wedervraag: „Wat is ‘de omgeving’? Als een miljoen Nederlanders ziek worden van hun werk, kun je dan nog van jezelf en de omgeving spreken? Je zit allemaal in hetzelfde systeem.”

Vaessen vreesde dat een burn-out het einde van haar carrière bij de bank betekende. Wat opgebrand is, is kapot. Dat komt nooit meer goed. Alleen al om die reden, zegt Catelijne Joling, directeur research en development van arbodienst ArboNed, moeten er nieuwe metaforen komen, die bovendien minder als een diskwalificatie gelden en die de omgeving helpen om het gesprek aan te gaan. Joling: „Het doembeeld van burn-out problematiseert het meteen. Aan de ene kant valt het woord – en de diagnose – burn-out vaak te snel, ook als eigenlijk sprake is van overspanning.” Tegelijkertijd maakt het woord dat ook het bespreken van de symptomen een taboe kan zijn – als je al uitgaat van het slechtste scenario kun je het gesprek al in de kiem smoren. Wie zich zorgen maakt over een geliefde kan beter een batterij als metafoor te gebruiken. „Een lege batterij kun je weer opladen. Dat is niet zo radicaal en uitzonderlijk dat je iemand ieder perspectief ontneemt.”

Het zou enorm helpen als een energietekort niet meer als zwakte wordt gezien. Kijk naar topsporters, zegt Joling. Zij zijn voortdurend bezig met hun energiehuishouding. Als je er op die manier over praat, wordt het lichter. „Je lichaam is je instrument, het heeft bronnen nodig om te kunnen herstellen.”

Blijf lichtpuntjes voorhouden

Het thuisfront staat nog niet bepaald in het spotlicht, in het professionele circuit van preventie en hulpverlening. Dat erkent Joling ook. Met ‘de omgeving’ worden meestal collega’s en leidinggevenden bedoeld. Mensen die een belangrijke rol hebben bij het voorkomen van de totale uitputting. Kiki Voncken geeft inmiddels wel workshops aan partners en gezinsleden. „Als blijkt dat er veel onbegrip is, nodig ik de partner of anderen uit de omgeving uit om samen naar oplossingen te kijken.” Ze weet hoe moeilijk het is om te schipperen tussen je eigen behoeften en de zorg voor je geliefde. En dat het, met iemand die geen moment van de dag meer van het leven kan genieten, niet meevalt om positief te blijven. Ze weet ook dat dát het allerbelangrijkste is: lichtpuntjes voorhouden, activeren – je geliefde meenemen naar het bos, in slakkentempo de afwas laten doen, aan het einde van de dag zeggen hoe fijn je het vond dat je hem even zag glimlachen bij de film.

Neem je geliefde mee naar het bos of zeg aan het einde van de dag hoe fijn je het vond dat je hem even zag glimlachen bij de film

Het omgekeerde kan namelijk ook gebeuren: dat partners uit angst dat het weer misgaat, hun geliefde te veel beschermen en tot rust dwingen. „Maar je hersens staan niet stil, je kunt er helemaal in vastdraaien.”

Deze week zei Joop nog waar hij het meest aan heeft gehad in zijn donkerste dagen. Voncken: „Ik kon praktische zaken oppakken waar hij zelf niet toe in staat was, mensen afbellen, praten met de verzekeringsarts. Hij zegt: ‘je gaf me moed en vertrouwen en liet me in mijn waarde’. Terwijl je soms denkt: met deze man ben ik toch niet getrouwd?”

Kiki Voncken heeft haar Joop meer dan volledig terug. „Hij werkt weer. Hij is ambitieuzer dan ooit en gaat effectief om met zijn energie.” Florien Vaessen is nu zelfstandig consultant. Als ze thuis over haar werk praat, hoeft ze niet meer te „spuien”, zoals voor haar burn-out. „We praten nu meer over de leuke kanten van het werk.”

In haar boek schrijft ze: ‘Marc verdient een standbeeld voor die periode, waarin hij me alleen met zachte hand terugfloot als hij zag dat ik te veel hooi op mijn vork nam, en me verder volkomen de ruimte liet. Ik vraag me af hoeveel zieken dat gegund is.’

Florien Vaessen, Op de bank, hoe ik ziek werd van mijn werk net als een miljoen andere Nederlanders, uitgeverij Balans, 240 blz., 17,95 euro.