Een andere kijk op de geschiedenis

Oorlog in Indonesië 1945-1950

Het kabinet wil een „heroverweging” van de rol die Nederland speelde in Indonesië in 1945-’50. Dat onderzoek begint nu.

Britse tanks patrouilleren in Batavia in oktober 1945. ( Na de Japanse kapitulatie maakten Britse troepen in indonesië aanvankelijk op een aantal plaatsen de dienst uit.) Op de tram staan onafhankelijkheidsleuzen. Foto NIOD

Het Nederlandse koloniale verleden in Indonesië, en dan met name de dekolonisatieoorlog van 1945 tot 1950, wordt onderworpen aan een breed opgezet historisch onderzoek. Het is een brisant onderwerp waarover het debat bijna zeventig jaar nadat de vrede werd getekend in Nederland nog altijd niet is verstomd.

Formeel begon het nieuwe onderzoek donderdag tijdens een discussieavond in de Amsterdamse debattempel Pakhuis de Zwijger, waar twee zelfkritische vragen centraal stonden: waarom nu pas? En: gaat het wel nieuwe informatie opleveren?

Een deel van het antwoord op de vraag ‘waarom nu pas’ kan direct al gegeven worden. Namelijk: er wordt al veel langer onderzoek gedaan naar verschillende aspecten van de dekolonisatieoorlog. Alleen heette die toen nog „Politionele Acties”, naar de twee grote militaire offensieven die Nederland in juli 1947 en in december 1948 inzette tegen de jonge Indonesische republiek. Veel onderwerpen zijn eerder al onderzocht en beschreven. Zoals het moorddadig optreden van kapitein Raymond Westerling in Zuid-Sulawesi, de rol van generaal Simon Spoor, commandant van de Nederlandse troepen, en het optreden van diverse politiek verantwoordelijken in Den Haag zoals toenmalig minister-president Louis Beel.

Terwijl premier Rutte in Indonesië is, pleitten Indonesische academici eind vorig jaar voor gezamenlijk onderzoek naar het koloniale verleden. En, zeggen ze nu, dan moeten ook de voor hun eigen land pijnlijke zaken aan de kaak worden gesteld. „Tijd voor verandering.”

Systematische wreedheid

Het opmerkelijke van dit project is dat het eigenlijk gaat om het herschrijven van die geschiedenis. Dat is het gevolg van een verandering van het perspectief op wat er in Indonesië is gebeurd in deze jaren.

Nog een antwoord op de vraag ‘waarom nu pas’ is dat dit extra geld voor dit onderzoek, op basis van nieuwe onderzoeksvragen, al in 2012 is aangevraagd door de drie wetenschappelijke instituten die hiervoor hun krachten hebben gebundeld: het Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies NIOD, het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Het kabinet nam enige jaren bedenktijd voordat het in december vorig jaar akkoord ging met de onderzoeksopzet.

Volgens NIOD-drecteur Frank van Vree, die de dagelijkse leiding heeft over het hele project, is het kabinet dat eerst niet akkoord ging met het onderzoek, van gedachten veranderde mede op basis van recent onderzoek. Bijvoorbeeld dat van Rémy Limpach. Die liet in zijn vorig jaar verschenen promotieonderzoek De brandende kampongs van Generaal Spoor zien dat Nederlandse militairen tijdens die oorlog structureel grensoverschrijdend geweld gebruikten.

De vraag was, schrijft Van Vree, of het kabinetsstandpunt uit 1969 nog houdbaar was. Dat standpunt luidde: „dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen”. Voor zover er sprake was van normoverschrijdend gedrag door militairen, waren dat excessen geweest, zoals beschreven in de Excessennota, een allereerste verkenning op verzoek van het kabinet-De Jong. Dit concludeerde dat „van systematische wreedheid geen sprake is geweest”.

Honderdvijftig jaar geleden reed de eerste trein op Java. Een fototentoonstelling in het Spoorwegmuseum in Utrecht laat de verwevenheid zien tussen spoorlijn en de koloniale geschiedenis.

Weduwen van Rawagede

Het kabinet verwees in december 2016 in zijn brief aan de Tweede Kamer over het besluit nieuw onderzoek te subsidiëren niet alleen naar het onderzoek van Limpach. Van belang was ook de rechtszaak sinds 2009 van de weduwen uit het Javaanse dorp Rawagede (tegenwoordig Balongsari) wier mannen buitengerechtelijk waren gedood door Nederlandse militairen. De rechtbank wees de claims van de weduwen in 2011 toe. Het kabinet schrijft: „Ook veranderde het (politieke) denken over de dekolonisatieperiode, mede in het licht van publicaties over andere conflicten en oorlogen met daarin aandacht voor individuele misdragingen en structureel geweld”.

Het onderzoek zal zich nadrukkelijk ook richten op de periode van de Bersiap, tussen augustus 1945 en begin 1946, toen veel (Indische-)Nederlanders het slachtoffer werden van geweld door groepen Indonesische jongeren. Aangenomen wordt dat dit vaak buitensporig geweld van Indonesische zijde mede aanleiding was voor het latere gewelddadige optreden door Nederlandse militairen.

Het kabinet toonde zich in zijn brief aan de Tweede Kamer beducht voor de „pijn die het vervolgonderzoek zal veroorzaken bij de groep Indië-veteranen”. Maar het kwam desondanks tot de slotsom dat het belang van dit onderzoek zwaarder moest wegen.

De nieuwe geschiedenis, zo wordt duidelijk uit de opzet van het onderzoek, zal voor individuele gedragingen meer oog hebben dan in het verleden het geval was.

Onderdeel van het onderzoek is ook een oral history-project, waarvoor tijdgenoten die getuige waren van de gebeurtenissen destijds worden opgeroepen hun verhalen te vertellen. Bovendien wordt samenwerking gezocht met Indonesische historici om een completer beeld te krijgen van de andere zijde van het conflict.

Al met al is het kabinet tot de conclusie gekomen dat een heroverweging van de eigen rol nodig was. En dat moet dit onderzoek bieden.

Naschrift (15 september 2017): In een eerdere versie van dit artikel stond een onjuist jaartal in de naam van het onderzoek ‘Dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950’.