Column

De Flintstonisering van de arbeidsmarkt

Zou de lage productiviteitsgroei in de eurozone een gevolg kunnen zijn van de flexibilisering van arbeid?

Fred Flintstone, wel bekend, werkte elke dag in een steengroeve waar hij met behulp van een dinosaurus zijn prehistorische arbeid verrichtte. Wellicht iets minder bekend is George Jetson, een tekenfilmfiguur van dezelfde studio, die in The Jetsons de toekomst bewoonde.

Het verschil tussen die twee tekent de geschiedenis van de welvaartsontwikkeling. Waar Flintstone elke dag op zijn dino aan het werk moest, duurde Jetsons arbeid één uur per dag, twee dagen in de week. In een volautomatische fabriek drukte hij als digital index operator met zijn wijsvinger op een knop. Het verschil tussen de twee: de inzet van kapitaalgoederen. Tegenover de fysieke arbeid van Fred staat de volledig geautomatiseerde George.

De inzet van kapitaalgoederen doet wonderen voor de verhoging van de arbeidsproductiviteit. En de toename van de productiviteit is een van de belangrijkste drijvers van de welvaartsgroei.

De twee verre, door de tijd gescheiden, verwanten kwamen in gedachten op bij het lezen van ABN Amro’s publicatie over productiviteit in de eurozone: Why is productivity growth so low? Econoom Aline Schuiling van de bank merkt daarin op dat de ‘kapitaalintensiteit’ in de eurozone voor het eerst is gedaald sinds de jaren zestig. Die daling kan volgens haar ten grondslag liggen aan het feit dat de productiviteitsgroei in de eurozone te laag is: in de decennia vóór de crisis bedroeg die groei 1,2 procent, tijdens de eerste helft van de crisis daalde hij tot nagenoeg nul. Daarna is hij wel hersteld, maar op een laag niveau: iets meer dan een half procent.

Dat geeft te denken. Substitutie van arbeid door kapitaal is de weg naar welvaart. Maar als er, zoals ECB-baas Mario Draghi van de week nog benadrukte, alleen al sinds 2015 vijf miljoen banen bij zijn gekomen, maar de inzet van kapitaal is gedaald, dan zijn we op dit moment misschien wel andersom bezig. Kapitaal wordt ingeruild voor arbeid – of er vindt op zijn minst geen substitutie plaats.

Hoe goedkoper arbeid wordt (en blijft) hoe minder groot de prikkel om kapitaal in te zetten

Zou dat een gevolg kunnen zijn van de flexibilisering van arbeid? Het zijn niet alleen lonen die de prijs van een werknemer bepalen. Hem of haar alleen hoeven in te zetten als het uitkomt maakt het ook een stuk goedkoper. En flexwerkers hebben geen collectieve macht om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Hun aantal groeit nog steeds.

Hoe goedkoper arbeid wordt (en blijft) hoe minder groot de prikkel om kapitaal in te zetten. En hoe zwakker de drijfveer voor innovatie. Omgekeerd zou je kunnen stellen dat de opkomst van de vakbeweging eind negentiende eeuw een behoorlijke prikkel was tot productiviteitsverbetering en verdere mechanisatie.

Waarom is dat nu belangrijk? Vorige week mislukte het sociaal akkoord dat bonden en werkgevers probeerden te sluiten voor de volgende kabinetsperiode. Een van de struikelpunten: flex versus vast werk. Nu is het vanuit het gezichtspunt van individuele ondernemingen logisch dat zij streven naar meer flex en lagere arbeidskosten. Maar zouden zij collectief een ander belang hebben dan zij denken?

Minder productiviteitsgroei betekent minder economische groei. Minder economische groei betekent minder groei van de afzetmarkt. Zo streven de ondernemingen met zijn allen na wat zij opgeteld juist niet zouden willen. Zou VNO-NCW, dat het collectieve belang van ondernemend Nederland vertegenwoordigt, zich deze tegenstelling realiseren?

Loonmatiging was nodig in de jaren negentig, een wat minder vastgeroeste arbeidsmarkt ook. Maar misschien is er wel een optimaal punt, en zijn we dat inmiddels al lang gepasseerd. Dan gaan we weer achteruit, richting Fred Flintstone.

En die had tenminste nog een vaste baan.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten