Column

Wapperende broekspijpen

Wat ik me van de orkaan Irma in Amerika vooral zal herinneren, zijn de wapperende broekspijpen van de reporters van CNN. Ze waren voortdurend in beeld, die pijpen, terwijl het door de storm opgezweepte regenwater erover gutste. Intussen hielden de broekdragers zich dapper, maar uiterst moeizaam staande, de druipende ogen gericht op de camera en de doorweekte microfoon in de aanslag. „This is CNN!”

As tv-kijker wilde je vanaf je geriefelijke bank, de kat op schoot, het liefst roepen: „Maak dat je wegkomt, ga naar binnen, denk aan jezelf!” Maar de reporters bleven onverschrokken op hun plek, indachtig het journalistieke adagium dat een rasechte reporter „met zijn poten in het bluswater” behoort te staan. En dan niet zoals NOS-verslaggever Arjen van der Horst, weggedoken in een vervaarlijke capuchon, terwijl op het strandje achter hem voorbijgangers in vakantiekledij met hun hondje kuieren; dat doet het harde vak van de rampreportage geen goed.

Inmiddels is in Amerika een publieke discussie ontstaan over de vraag of zulke live-verslaggeving wel verantwoord is. Brengt de reporter die de mensen maant met dit weer vooral binnen te blijven, geen tegenstrijdige boodschap? Want als het zo vreselijk gevaarlijk is, wat doet hij of zij (ik zag tal van vrouwelijke reporters) er dan nog? „Denken tv-reporters soms dat wij niet geloven dat er een orkaan is tenzij zij er middenin staan?” twitterde een geschrokken Amerikaanse tv-kijker.

Zoals bekend is het met de journalistiek tegenwoordig zo gesteld dat het nooit goed is of het deugt niet. Moedige reporters worden ijdele waaghalzen genoemd, maar als ze veilig in de studio zouden blijven, is hoon hun deel. Een verslaggever in Miami zei dat de mensen thuis pas overtuigd raken van de ernst van de situatie als je ter plekke laat zien wat er aan de hand is.

Dat ben ik met hem eens, maar ik denk wel dat veel bezwaren zouden worden weggenomen met een betere dosering. Een halfuurtje kijken naar wapperende broekspijpen – akkoord. Maar enkele uren, laat staan een hele dag, trekt de tv-kijker niet; dan begint hij misschien zelfs te hunkeren naar die capuchon van Arjen van der Horst met dat argeloze hondje op de achtergrond.

Bij CNN werd ik op den duur vooral moe van anchorman Chris Cuomo die ons in zijn zeiknatte T-shirt de ene onheilstijding na de andere in het gezicht slingerde. Cuomo was zo dol op de overtreffende trap dat hij niet meer naar beneden wilde komen. Goed, er waren nog maar vijf doden, maar materieel was dit de ergste ramp die hij ooit gezien had. „Ik kon niet geloven dat het zo erg was!” „Jacksonville heeft de ergste storm ooit!” „And it’s still not over!”

Iemand vertelde hem dat de storm iets aan het afzwakken was, maar hij scheen het niet te willen horen. De volgende dag ging hij op dezelfde voet door: „Ik heb nog nooit zoveel schade gezien.” Waarop een lokale bestuurder reageerde: „Er is hier geen schade die niet hersteld kan worden.”

The New York Times kopte die dag: „De monstervloed die het niet was – waarom Irma minder overstroming veroorzaakte dan verwacht.”

Misschien mag ik het zo samenvatten: de televisie is er voor de overdrijving, de kranten zijn er voor de nuancering.