Column

Nood breekt wet, maar belofte maakt schuld

Houd je aan je belofte. Het nut van deze volkswijsheid is evident. Het heeft geen zin om afspraken te maken, als we ons daar niet aan zullen houden. Dat geldt op allerlei terreinen, van de aannemer die belooft uw huis te bouwen tot de huwelijksgelofte „tot de dood ons scheidt”. In de loop van de geschiedenis zijn er tal van instituties bedacht waarmee wij ons trachten te binden aan onze beloften: een trouwring, een juridisch contract, onze reputatie. Dat helpt ons, want daarmee kunnen we langetermijnafspraken maken, van een huwelijk tot de bouw van een huis.

Die instituties werken met externe dwang: een derde partij kan ons tot de orde roepen. „Dit contract valt onder Nederlands recht.” Als een partij zich niet aan de afspraken houdt, kan de rechter hem daartoe dwingen. Die oplossing is niet perfect. De gang naar de rechter is duur en je weet nooit wat hij in zijn wijsheid beslist. Maar zonder een goed rechtssysteem kan een moderne samenleving niet functioneren. Mede door het recht kunnen wij ons binden aan onze beloften.

Er is één groep voor wie dat systeem niet goed werkt: de wetgevende macht, ofwel de politiek. Zij maken immers de wet. Welke rechter kan de wetgever aan de wet houden? „Mevrouw de rechter, de wet waaraan u mij probeert te houden heb ik zojuist veranderd.” Er is geen externe partij die politici kan binden aan hun beloften. Dit probleem is zo oud als het ontstaan van de eerste vormen van rechtsstaat een paar duizend jaar terug. Niet voor niets worden in ranglijsten politici altijd als de meest onbetrouwbare beroepsgroep genoemd, nog onder tweedehandsautoverkopers. Dat is geen verwijt aan politici. Niemand is gehouden aan het onmogelijke. Beloften zijn in onwetendheid gedaan, contracten zijn gesloten zonder rekening te houden met onvoorzienbare omstandigheden, wettelijke rechten zijn toegekend toen de bomen nog tot in de hemel reikten. Neem het klimaat: vroeger was de uitstoot van CO2 een stilzwijgend recht, nu niet meer. En dan is er iemand nodig die de wet aanpast aan de nieuwe omstandigheden.

Traditioneel nam links in de politiek hierbij het voortouw. Rechts pleitte tegen de bedilzucht van de staat die bij het minste of geringste private (eigendoms)rechten te grabbel gooide waardoor ondernemerschap in de kiem werd gesmoord. Rechts stond voor de bescherming van private rechten. Links daarentegen zag voortdurend publieke belangen die interventie in die rechten onvermijdelijk maakten. Voor beide posities is vanzelfsprekend veel te zeggen. Naarmate de afweging tussen beide principes met meer zorg wordt gemaakt, gaat het beter met een land. Want belofte maakt schuld, maar nood breekt wet.

De traditionele rolverdeling tussen links en rechts is verdwenen. Het populisme heeft de rol van links overgenomen. Het populisme belooft een sterke man, iemand die zich niet laat ringeloren door de verworven rechten van de elite. U als kiezer wil dat? „Dan gaan we dat regelen.” Aan rechters die ons willen houden aan onze eerdere in wetgeving vastgelegde beloften hebben we geen boodschap. Deze trend is niet voorbehouden aan de PVV. Nagenoeg alle partijen geven tegenwoordig meer gehoor aan de roep om in te grijpen, van links tot rechts, van de individuele ontslagvergoeding voor overheidsmanagers, de rechten van aandeelhouders van onlangs geprivatiseerde bedrijven, de vrijheid om een school te stichten op religieuze basis tot het salaris van de ceo van het overheidsbedrijf. De vraag is: zijn we niet doorgeschoten naar de sterke man die de wet breekt uit naam van de nood? Is het niet tijd voor een rechtse revival, met minder interventie in eerder toegekende rechten?

Coen Teulings is econoom en hoogleraar in Cambridge en Amsterdam.