Column

De verliezers van het epotijdperk

Zap

Hoe was het om een ‘schone’ wielrenner te zijn op het moment dat iedereen de epo ontdekte? Een documentaire van Belga Sport over de Lotto-ploeg van 1995 brengt dat in beeld.

De Lotto Tour 95: Gesneuveld op La Plagne (Canvas)

We moeten sporters geen helden noemen. Sport draait om dingen beter kunnen dan anderen. Sporters brengen kolossale offers, maar doen dat niet voor een hoger doel. Ze doen het om er zelf beter van te worden. En daar genieten we van. Hoe mooi het ook is om Alberto Contador op de loodzware Angliru in de Ronde van Spanje te zien, met het altruïsme dat bij heldendom hoort, heeft het niets te maken. Wij willen helden en duwen de sporters in een vorm waar ze niet in passen.

Vervolgens raken we in de knoop wanneer een (voormalige) topsporter in een dopingaffaire belandt, want een held wil je niet kwijt. Zoals wielrenster Leontien van Moorsel, die sinds een artikel van De Volkskrant van zaterdag (waarin een gepensioneerde arts verklaarde haar epo te hebben bezorgd in de aanloop naar de Olympische Spelen van 2000) aan de verkeerde kant van de wielergeschiedenis is beland. Er rijdt een enorm peloton aan de verkeerde kant van de wielergeschiedenis, maar toch.

De kwestie leverde maandag een interessant debatje op bij De Wereld Draait Door, waaruit ook blijkt hoe moeilijk de televisie het heeft met dit soort zaken. Televisie blinkt immers uit in het razendsnel op een voetstuk plaatsen van winnende sporters. Dus ging het nu minder om de aard van de onthulling, dan om de vraag of die gedaan had moeten worden.

Programmamaker en wielerfan Erik Dijkstra vond het vooral jammer. Alles was al zo lang geleden. Gebruikte niet iedereen? Van Moorsel is toch een geweldige, bijzondere sportvrouw? Hij vond een strenge Thijs Zonneveld tegenover zich. Valsspelen is valsspelen, zei de journalist en oud-wielrenner – en bovendien was dopinggebruik een vorm van ‘diefstal’. Je steelt van de mensen die het spel volgens de regels spelen.

Het door Zonneveld aangestipte onrecht werd een dag later inzichtelijk en invoelbaar bij Belga Sport (Canvas), het Vlaamse zusje van Andere Tijden Sport. Want hoe was het om wielrenner te zijn op het moment dat iedereen de epo ontdekte – voor iemand die daar niet aan meedeed? Stap voor stap wordt in De Lotto Tour 95: Gesneuveld op La Plagne de loopbaan van een groepje Vlaamse wielrenners uit de doeken gedaan.

Ze begonnen rond 1990 als jonge honden in de Vlaamse Lotto-ploeg. Niet de grootste talenten, maar wel het soort renner dat een aardige loopbaan kon hebben. Zoals de eigenwijze Peter De Clercq, die zich zelfs nog in het zweet trapte als er in de Ronde van Luxemburg bij een tussensprint een schaap te winnen was. Heel modern was de ploeg niet: toen elders „folklore in wetenschap veranderde” deelden de Lottorenners één hartslagmeter.

Het wielerleven had zijn pieken en dalen. Tot de Tour van 1995. Want daarin bungelen de Lottojongens vanaf het begin achteraan. „Het was rugnummer opspelden en wachten tot je gelost wordt.” Het peloton raast met razende snelheid door Frankrijk, De Clercq kan jongens niet meer bijhouden die hij vroeger nog vooruit moest duwen. Er was iets gaande in het peloton, dat iets heette epo – en zij wisten van niets. In de eerste echte bergrit komen vier Lottorenners te laat binnen. Ze voelden zich zo vernederd dat ze niet meer naar het avondeten met de ploegleider durfden te komen. Einde Tour, einde contract. Met hun carrières kwam het niet meer goed, ook al omdat zij geen epo wilden nemen.

Historische sportprogramma’s roepen vaak de grote overwinningen uit het verleden in herinnering – we willen helden zien, immers. Maar antiheldenverhalen zoals De Lotto Tour 95 kunnen niet vaak genoeg verteld worden.