Column

Vult u even de gapende leegte in mijn brein in?

U vult mij aan. Ik besta uit niets anders dan tekorten en lacunes, u werkt die weg. Ik laat steken vallen, u raapt die op. Mijn brein is een gapende leegte, u stopt die vol. Moest ik mijn woorden zelf verzinnen, dan kwam er niets van terecht. Maar u complementeert en expliciteert mij, u interpreteert en corrigeert mij, u annoteert en intimideert mij. Wat zou ik, kortom, zonder u moeten beginnen?

Nu hoeft u niet meteen zo onbescheiden te kijken, want u bent niet de enige die mij zo fijn komt aanvullen. En ik hoef me niets te verbeelden, want u doet het niet alleen bij mij. Alle intermenselijke communicatie steunt voor een groot deel op de ijver van lezers en luisteraars. Die kneden de signalen van de ander net zo lang tot er betekenis ontstaat. Sprekers en schrijvers kunnen volop tekortschieten, want aan de andere kant wordt driftig meegesproken en meegeschreven. „Gijp je wak doel?” zong Maarten van Roosendaal in zijn liedje ‘Goon’. Ja, we begrijpen wat je bedoelt. En anders verzinnen we het er zelf wel bij.

Natuurlijk is er wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit verschijnsel. Tuulijk! Tuuk! Ik hoef maar even online rond te kijken en meteen vind ik al een hoogleraar ingeslikte en aangevulde taal. Ooit raakte taalkundige Mirjam Ernestus gegrepen door de vraag hoe het komt dat mensen ‘eigenlijk’ horen als iemand ‘eik’ zegt. Vorig jaar schreef ze een artikel, ‘Ikfstajezotuuknie’, samen met een wetenschapper die onderzoek doet naar Nederlands als tweede taal. Anderstalige mensen moeten namelijk nog eens expliciet leren wat wij als moedertaalsprekers bedoelen met ‘iefal’ (in ieder geval), ‘soggus’ (’s ochtends) en ‘waarskeer’ (waren we eens een keer).

En niet alleen de anderstalige mensen. Ook de machines. Programma’s voor spraakherkenning moeten net zo goed worden ingevoerd in verdwenen lettergrepen. Ze moeten bovendien de signalen van de context leren verstaan, de kleine pauzes en stiltes, de klanken die korter of langer worden naarmate de betekenis van het woord verandert. Zelf denk ik dat het geen kwaad kan ze het gedicht ‘Heftan hattat’ van Willem Wilmink te laten lezen. Dan kunnen ze zien dat het raadselachti ge antwoord ‘heftan hattat’ prima valt te begrijpen in de context van een Twents verjaardagfeestje, in een gesprek over ziektes. ‘En hoo is t dan noe met Bernard? / Heftan tattat! Heftan tattat! / Hee har völs te völ patat had /en doo hef e t dus an t hart had.’

Het verschijnsel van het aanvullen stopt niet bij verdwenen lettergrepen. Zoekmachines vullen onze gedachten aan zodra we letters typen, digitale formulieren vullen gegevens aan, webwinkels vullen onze boodschappenlijstjes aan: het werk verschuift meer en meer van de zender naar de ontvanger. Verzenders van digitale berichten schrijven daarom steeds informeler. De lezer moet ‘gwn’ maar weer omtoveren in ‘gewoon’ en ‘lama’ in ‘laat maar’. Dan kan de schrijver het kort houden.

Toen de satirische website De Speld een paar jaar geleden liet weten dat vanaf 2018 alle klinkers worden afgeschaft, werd die beslissing dan ook toegeschreven aan een kostenbesparende commissie, de Cmmss tr Bvrdrng vn Kstnbsprnd Tlgbrk (CBWT). Het draaide, schreef De Speld, om efficiëntie. ‘Kbnt Rtt II mkt wrk vn n ffcntr lfbt.’ Er was sprake van een geheim rapport op basis van onderzoek naar het belang van de klinker. ‘D cncls lgt r nt m: “Ndrlndrs knnn dt rpprt zndr prblmn lzn, ds dz prgrssv mtrgl mtn w z.s.m. drvrn.”’

Zulke kostenbesparingen zijn niet helemaal nieuw. Wie zich de contactadvertenties uit de vorige eeuw nog kan herinneren, weet dat krenterige schrijvers daarvan het werk ook graag lieten doen door de lezer. In de roman Wampie uit 1938 van A. den Doolaard reageerde Wampie op de annonce van een oudere heer die een gezelschapsdame zocht, niet ongenegen op reis te gaan, ‘n. ongen op r. t. g.’. Na afloop bracht ze haar vriend verslag uit van het sollicitatiegesprek. „Ik had gevraagd of hij van plan was naar Monte Carlo te gaan, en dat scheen hem een schok te geven, want hij zei: ‘Hè, hoe komt u daarbij?’ ‘Nou’, zei ik, ‘nù. ongenù. op rù. tù. gù. betekent toch: niet ongenegen op rood te gokken?’”

Uiteindelijk hebben vooral kunstmatige taalgebruikers baat bij inzichten in het proces van het aanvullen. Vandaar dat er deze eeuw zoveel wetenschappelijk onderzoek naar wordt gedaan. Maar de schrijver profiteert alvast. Mijn brein is, zoals gezegd, tijdelijk een gapende leegte en ik weet niet meer wat ik van de wereld moet vinden. Een mening? Kweenie! Een opinie? Lama! Maar gelukkig bent u daar om het werk te doen en u complementeert mijn woorden hopelijk net zo lang tot ze betekenis krijgen. Maak er wat moois van.

Maxim Februari is jurist en schrijver.