Op een ouderavond zijn alle ouders kinderen

Schrijver Arnon Grunberg vervangt twee weken non-stop een vader in een Zutphens gezin met vier kinderen. Hij doet dagelijks verslag.

Voorafgaand aan de ouderavond wordt er met het gezin gezwommen in een meertje. Ik zwem even zelf, dan probeer ik de baby van een verdrinkingsdood te redden.

„Er kan altijd iets gebeuren”, zegt de moeder. „Dat hoort bij de risico’s van het autonome leven.”

Wij worden getrakteerd op politieagenten die met een touw op hun schouders door het meer rennen, vlakbij is een politieschool. Een trainer schreeuwt: „Niet opgeven.”

„Ik moet er niet aan denken zo te worden behandeld”, zegt Marjolein.

Daarna gaan we op handdoeken liggen. Er zijn rijstwafels. Altijd rijstwafels.

„Aan dit meertje heb ik de hele zomer doorgebracht”, vertelt Marjolein. „Nou ja, het heeft ook geregend.”

Is het een klacht of een weemoedige opmerking? Marjolein is moeilijk te peilen.

Op de terugweg bied ik de kinderen ijs aan. Marjolein stelt dat het een perenijsje moet zijn. „Dat is net toelaatbaar”, zegt ze.

De kinderen mogen vrijwel alles, behalve suiker. Zelfs versgeperste sinaasappelsap, waar mijn moeder bij zwoor, is verboden. Marjolein is een suikerfascist, maar wel de liefste en zachtaardigste suikerfascist die ik ooit heb ontmoet. En volgens haar is de vader van de kinderen nog meer tegen suiker dan zij.

Die avond komen we bijna te laat voor de ouderavond op de Vrije School.

We beginnen met zingen. Dan moeten alle ouders vertellen wat voor ouder ze zijn en wat hun beroep is. Een moeder zegt dat ze vroeger perfectionist was. Een andere moeder die als geestelijk verzorgster in een psychiatrisch ziekenhuis werkt, krijgt de slappe lach. „Mijn man verzorgt bomen en ik mensen”, fluistert ze nog. Dan houdt ze het niet meer. De juf kijkt de slappe lach even aan en geeft vervolgens het woord aan de volgende ouder.

Op een ouderavond zijn alle ouders kinderen.

Ik vertel over mijn petekind. „Grenzen stellen is nogal saai”, zeg ik. „Daarom heb ik de neiging opvoeding te ironiseren. Dat betekent wel dat je je autoriteit ondermijnt.”

Ik ben eerlijk, maar ik geloof dat ik niet helemaal word begrepen.

Op de terugweg schreeuwt Marjolein tegen de wind: „Je stotterde en je noemde me Marije.”

„Ja”, schreeuw ik terug. „Ik heb een slecht figuur geslagen. Ik ken de naam van mijn vrouw niet.”

Hoe je het ook wendt of keert, Marjolein en ik spelen moedertje en vadertje en dat moet je goed doen.

Thuis ga ik op de werkkamer van de echte vader schrijven. Stiekem eet ik gummibeertjes.

(Wordt vervolgd)