Cultuur

Interview

Interview

Werk van Cao Guimarães, vanaf 16 september te zien in Eye, Amsterdam

Ontmoeting van oog en wereld

Apichatpong Weerasethakul en Cao Guimarães

Filmmakers Apichatpong Weerasethakul en Cao Guimarães krijgen een gezamenlijke expositie in filmmuseum Eye. Wat hen bindt is de passie voor de landschappen waarin zij opgroeiden.

Soms hoef je alleen maar naar buiten te kijken om een film te maken. Het is een lange traditie in de filmkunst. Als de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul naar buiten kijkt, ziet hij de jungle. Altijd groen, en altijd vol licht dat dezelfde bladeren elk moment van de dag andere kleuren geeft.

Die jungle zie ik ook als ik met hem een Skype-gesprek voer om over de betekenis van plaats in zijn werk te praten, het thema van een nieuwe tentoonstelling in het Eye Filmmuseum in Amsterdam. Het is alsof ik naar een scène uit een van zijn films zit te kijken. Op de voorgrond zit een man een Skype-gesprek te voeren, op de achtergrond trekt de jungle alle aandacht. Gedurende ons gesprek werpt het veranderende licht steeds nieuwe schaduwen naar binnen.

Als de Braziliaanse kunstenaar Cao Guimarães naar buiten kijkt ziet hij de huizen van Belo Horizonte, de stad waar hij werd geboren. Hij keert er steeds weer terug. Hij filmde een keer twee vechtende kinderen in de regen uit zijn raam, een vreemde, wrede dans. „Filmmaken is ontvankelijk zijn voor kijken”, zegt hij. Dat is eerder een mentaliteit dan een kunde. Maar om echt films te kunnen maken moet hij diep provincie Minas Gerais in. Van de hoofdwegen af. Verdwalen. Dan komt de inspiratie: „Er is een sterke relatie tussen lopen en denken. Het maakt endorfine vrij in je hersenen. Je gedachten dwalen af, net als je voeten, en je komt in contact met je onderbewustzijn.”

Weerasethakul (Bangkok, 1970) is momenteel een van de meest toonaangevende namen in de internationale filmwereld. Zijn film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives won in 2010 de Gouden Palm in Cannes; opvolger Cemetery of Splendour, over soldaten die aan een mysterieuze slaapziekte lijden, haalde de eindejaarslijstjes van belangrijke internationale filmpublicaties als Sight & Sound en Cahiers du cinéma.

Guimarães (Belo Horizonte, 1965) is in Nederland minder bekend. Een aantal van zijn films was te zien op het filmfestival van Rotterdam; zijn installaties stonden in 2009 in de tentoonstelling Brazil Contemporary in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De tentoonstelling Locus in Eye brengt hun werken samen.

Alsof er een pijl door het hart van de aarde is geschoten van Thailand naar Brazilië, van Isan naar Minas Gerais, van Khon Kaen naar Belo Horizonte. Beide filmmakers blijven in hun werk dicht bij huis. Ze zijn chroniqueurs van de landschappen waarin ze opgroeiden, al is Weerasethakul op het moment dat we hem spreken net terug uit Colombia waar hij een film „met de ogen van een buitenstaander opnam”.

Ik vraag beide kunstenaars naar de specifieke kenmerken van hun streek. Noordoost-Thailand, grensgebied met Laos en Cambodja, is een gebied met een geschiedenis van oorlogen, landverhuizers, arm en in de rest van het land gediscrimineerd, en een diep litteken ten gevolge van de betrokkenheid bij de Vietnamoorlog, vertelt Weerasethakul. In zijn films bouwt hij tijdlandschappen uit die geschiedenissen.

Minstens even mythisch en complex is Minas Gerais, de Braziliaanse mijnstaat waar Guimarães zijn habitat heeft. Het is een enorm rijk gebied. Guimarães: „Alles wat er in je mobiele telefoon zit, zit daar in de grond. Vanaf de zeventiende eeuw dolf men er naar goud, edelstenen en diamanten. Men importeerde slaven om in de mijnen en op het land te werken en het relatieve isolement van Europa zorgde ervoor dat er een interessante mix van culturen ontstond. Tegelijkertijd zijn de ‘Minerais’ een ingetogen, wantrouwend volkje. Bij ons zeggen we: weet je waarom er onder de eettafel een la zit? Niet om je bestek in op te bergen, maar je goudschatten als er iemand aan de deur klopt.”

Aanvankelijk architect

Weerasethakul studeerde aanvankelijk architectuur. Om een praktische reden: „Ten eerste was er destijds geen filmschool bij mij in de buurt, en ten tweede leek het voor mijn familie meer op een echte beroepskeuze. Achteraf ben ik heel blij dat ik het heb gedaan, omdat de invloed op mijn manier van filmmaken enorm is gebleken. Op de manier waarop ik naar tijd en ruimte kijk. Een film maken is net zoiets als stukje bij beetje een huis bouwen. Al zijn films doorgaans meer lineair, en architectuur in ruimtelijke zin complexer.”

De open architectuur van Noordoost-Thailand heeft ongemerkt ook effect op Weerasethakuls stijl: „Door het weer hebben onze huizen veel open ruimtes, veel ruimte naar buiten toe. Er is altijd natuurlijk licht. Ik draai wel close-ups, maar uiteindelijk ben ik altijd meer geïnteresseerd in wat er buiten gebeurt, dus worden de shots steeds wijder.”

Hij vertelt dat deze traditionele huizen in rap tempo aan het verdwijnen zijn. „Net als overal ter wereld nemen betonbouw en winkelcentra het over. Dat realiseerde ik me het sterkst toen ik terugkwam van mijn studie film in Chicago en zag hoe snel het land aan het veranderen was. De film Syndromes and a Century (2006) gaat deels daarover. Vragen rondom behoud en geheugen spelen hier in Thailand niet zo. Het onderwijs laat een hoop belangrijke historische feiten buiten beschouwing, en wordt gedreven door propaganda. Die link met je eigen historische wortels probeer ik in mijn films te herstellen. Het is niet erg als een westers publiek dat niet meekrijgt. Maar film is een manier om met geschiedenis en herinnering in contact te blijven.”

Laatste reis van het kunstwerk

Ook Guimarães’ werk is geëngageerd, maar subtiel: „Het heeft op twee manieren een politieke betekenis. Ik ben geïnteresseerd in outsiders, in marginalen. Maar ook in een gemarginaliseerde manier van kijken. Mijn werk is altijd nauw verbonden met de ontmoeting. Kunst wordt geboren uit de ontmoeting tussen het oog en de wereld. Het rijst op uit de afgrond tussen jou en het onbekende. Bijna als een bovennatuurlijke entiteit die zich in het kunstwerk wil materialiseren.”

Beide kunstenaars vinden het belangrijk dat de toeschouwer een autonome positie in hun werk kan innemen. Ze bouwen ruimte in voor associatie en interpretatie.

Guimarães verklaart dat vanuit de Braziliaanse traditie van de antropofagia, het culturele kannibalisme, zoals voor het eerst verwoord door dichter Oswald de Andrade in de jaren twintig van de vorige eeuw. Guimarães: „De kracht van de Braziliaanse cultuur ligt in haar vermogen om allerlei invloeden van buiten te absorberen, te verorberen, te verteren en je de sterke kanten van de ander en het andere eigen te maken. In die zin is de toeschouwer de ultieme ander. De toeschouwer is de laatste die de film in zich opneemt en verwerkt en op zijn beurt voedt met zijn eigen associaties. Zonder de toeschouwer gaat het niet. De laatste reis is de reis van het kunstwerk naar het publiek.”

Dana Linssen leidt 17 en 19 september twee Artist’s Talks met beide kunstenaars in Filmmuseum Eye in Amsterdam.