Column

Meer nog dan horror is It een lofzang op vriendschap

Zaterdagavond ging ik naar It, de remake van de miniserie die ervoor zorgde dat ik als twaalfjarige nachtenlang niet sliep. Menig slaapfeestje begin jaren negentig werd gedomineerd door het al dan niet stiekem kijken van deze horrorprent. We konden er, ondanks die Pipo from hell, geen genoeg van krijgen.

De aantrekkingskracht van It draaide niet alleen om het griezelen, maar ook om de kinderen, die de eigenlijke winnaars zijn. Volwassenen luisteren niet naar hen (sterker nog: die kunnen het monster geeneens zien), en dus zoeken de bijna-tieners in It troost, bescherming en erkenning bij elkaar. Meer nog dan een horrorverhaal is It een lofzang op de vriendschap.

Toen ik na afloop de bioscoop verliet voelde ik me ook melancholisch. Ik herinner me nog hoe moeilijk het was, die transformatie van kind naar volwassene. Hoe lastig ik het kreeg vanaf mijn twaalfde: er begint dan toch een noodzakelijke vervreemding tussen ouders en kinderen, hoe goed beide partijen het ook bedoelen. En ik dacht terug aan, om het met Spinvis te zeggen, wie toen mijn vrienden zijn geweest. De overgang van groep acht naar de brugklas, de intense vriendschappen die je smeedt aan het begin van de puberteit. Die je troosten na ruzie met je ouwelui, die je opvrolijken na een onvoldoende. Hele vriendschapsschriften schreef ik vol, er werd eeuwige trouw beloofd, er was een intimiteit die op een bepaalde manier heftiger was dan die in een relatie. Je geloofde in elkaar, samen kon je de wereld aan.

Natuurlijk gingen die vriendschappen voorbij, net zoals bijna alle eerste liefdes. Je bedoelde het allemaal wel goed maar had nog niet geleerd om je eigen grenzen – en die van een ander – te respecteren, en te vaak institutionaliseerde je een vriendschap nog voordat je keek of de nieuwe vriend(in) eigenlijk wel echt aardig was. Het schijnt een soort ijzeren wet te zijn; dat mensen om de zeven jaar van vrienden veranderen. Een soort vervellen, omdat je oude huid je niet meer past, en daar horen nieuwe mensen bij.

Dus zo liep ik zaterdag de nacht in, denkend aan de mensen die mij toch door mijn middelbareschooltijd, toch een van de moeilijker periodes uit mijn leven, heen hebben geholpen. Het zijn nu vreemden. Het was een onrustwekkende gedachte. Misschien willen we niet weten dat onbekenden ons kunnen redden, omdat het suggereert hoe weinig grip we op alles hebben: dat we worden gevormd door mensen of zaken die op een zeker moment allang niet meer tastbaar zijn, maar in ons doorwerken, net zoals een angst die je ooit opliep tijdens een slaapfeestje, de vriendschappen die daardoor ontstonden, en waarvan tenslotte slechts een vage nagloed resteert.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.