Column

Scherpe kritiek op Baudet blijft noodzaak

Eind vorige week publiceerde de Volkskrant een opvallend commentaar van politiek commentator Raoul du Pré. Het onderwerp was de met verf bekladde voordeur van FvD-leider Thierry Baudet. „We weten sinds [de moord op Fortuyn] dat pseudo-lollige protestacties niet zo lollig zijn als de daders ze willen doen voorkomen”, waarschuwde hij. Hij noemde de daad „gevolg van ontsporend debat” en „voorbode van meer onheil”.

„We weten waar dat toe leidt.” Deze redenering kenden we tot voor kort alleen van auteurs uit de donkere krochten van het internet, die hem te pas en te onpas inzetten om critici van hun eigen extreem-rechtse standpunten de mond te snoeren. De schrijfster Stella Bergsma gaf het fenomeen de naam ‘Pimwin’ mee. Ze verwees daarmee naar de wet van Godwin: naarmate een onlinedebat langer duurt, wordt de kans dat een van de deelnemers anderen vergelijkt met Hitler steeds groter. In het geval van de Pimwin vormt niet Hitler maar de moord op Fortuyn het onvermijdelijk eindpunt van het debat. De basisboodschap van de Pimwin-gebruikers: kritiek is demonisering, en demonisering leidt tot (linkse) kogels.

De samenleving in zijn geheel heeft de les van de moord op Fortuyn wel geleerd

Op deze logica valt nogal wat af te dingen. De geschiedenis herhaalt zich om te beginnen zelden. Er bestaat geen politieke wetmatigheid die zegt dat elke protestactie wel sinister moet zijn omdat hij een volgende, radicalere actie onvermijdelijk maakt. De publieke reactie op deze protestactie maakte duidelijk dat in ons land niemand zit te wachten op enige vorm van escalatie. De actie zelf werd onomwonden veroordeeld. Zoals het hoort, want iemands privésfeer schenden is onacceptabel. De samenleving in zijn geheel heeft de les van de moord op Fortuyn dus wel geleerd.

De vermeende logische link tussen kritiek op een politicus en bedreigingen aan zijn of haar persoon is bovendien weinig overtuigend. De trieste werkelijkheid is dat de bedreigingen tegenwoordig sowieso wel komen. Ook weinig omstreden politici als Job Cohen en Femke Halsema hebben met persoonlijke beveiliging moeten leven. In geen van die gevallen was daaraan een demoniseringscampagne vooraf gegaan. Wel vaak stevige kritiek, maar een politicus weet dat kritiek nu eenmaal bij het vak hoort.

De Pimwin-redenering heeft een derde, meer fundamentele zwakte. Stel dat kritiek op een politicus inderdaad een opinieklimaat schept waarin mensen gewelddadige actie tegen die persoon gaan overwegen. Dat zou een ernstige zaak zijn, die financiering uit publieke middelen van de beveiliging van deze persoon zonder meer zou rechtvaardigen. Maar hoe kunnen we reageren op politici die racistische theorieën verspreiden (Baudet over „etnische gevolgen van massa-immigratie” en Wilders over ‘omvolking’) en orakelen over de onvermijdelijkheid van volksopstanden of burgeroorlogen, anders dan met scherpe kritiek? We hebben het hier over politici met een grote electorale aanhang die bepaalde bevolkingsgroepen als ongewenst bestempelen en sommige maatschappelijke actoren (‘de elite’) als verdacht wegzetten. Zelfs als de wet van Pimwin zou kloppen, zou zwijgen over deze zaken nog steeds geen optie zijn. Kritiek op deze standpunten is niet alleen rechtvaardig, maar ook bitter noodzakelijk – juist omdat „we weten waar dat toe leidt”.

Du Prés pleidooi voor matiging in het publieke debat is zonder meer nuttig. Het zou echter aan kracht hebben gewonnen als hij Baudet zelf erin had meegenomen. Nu wekt hij de indruk dat hij kritiek op extreme politici gevaarlijker vindt dan hun abjecte standpunten. Dat kan onmogelijk zijn bedoeling zijn geweest.

Joshua Livestro is hoofdredacteur van opiniesite Jalta.nl. Hij studeerde politicologie en filosofie.