O, help. Mijn portemonnee vergeten

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: zonder kaartje in de trein naar New York

Om elf uur ’s ochtends neem ik de trein naar New York. Net als de andere Princetonians die instappen, kies ik voor de stiltecoupé. De man naast me haalt The New Yorker uit zijn aktetas en de vrouw tegenover me begint op haar iPad te werken. Ik vouw mijn laptop open. Geen conducteur te zien.

Bij het volgende station stapt een groepje meisjes in met knalrode T-shirts van Rutgers University Lacrosse.

Dan springt op het laatste moment een ongeveer dertigjarige zwarte man met een rugzak de trein in. Hij neuriet zacht mee met de hiphopmuziek die uit zijn koptelefoon lekt. Vrijwel meteen komt de conducteur, een blanke man van rond de veertig, de wagon inlopen.

„Kaartje”, zegt hij streng tegen de man.

Die grijpt in zijn rugzak. „O, help. Portemonnee vergeten”, zegt hij, duidelijk geschrokken.

De conducteur blijft stokstijf staan. „Je kunt er een bij mij kopen”, zegt hij.

„Ik heb een abonnement”, zegt de man.

„Wat is je naam?”, vraagt de conducteur. „Alle abonnementen zijn op naam geregistreerd.” De conducteur begint te bellen. „Ze kunnen je niet vinden”, zegt hij als hij ophangt.

„Maar ik heb het wel”, zegt de man op luide toon. „Geloof je me soms niet?”

„Je moet eruit bij de volgende halte”, zegt de conducteur.

„Maar ik heb een afspraak”, zegt de man. „Ik heb werk in New York.” Hij kijkt naar buiten. „Wat moet ik in godsnaam zonder geld in Elizabeth?” Boos springt hij op en neer. Van de vrolijke met de muziek mee neuriënde man is niet veel meer over.

De meisjes gaan nu een eindje verderop zitten. Bij mij in de coupé probeert iedereen te doen alsof er niets aan de hand is. „Zal ik een kaartje voor hem kopen?”, zeg ik zachtjes tegen de vrouw met de iPad. „Dan is het probleem opgelost.”

„Je kunt je beter nergens mee bemoeien”, zegt ze. „Voor hetzelfde geld loopt dit uit de hand.”

Even later loopt het inderdaad uit de hand. De conducteur gebiedt de man bij de volgende halte uit de trein te stappen. Maar die is dat niet van plan. Ik twijfel wat ik moet doen. Ik wil graag de lieve vrede in de trein terug. Maar ik ben ook doodsbang voor agressie. En ik weet niet wie ik enger vind, de conducteur met zijn verbeten gezicht, of de passagier zonder kaartje die met de minuut bozer wordt. Bij de volgende halte staat er een agent klaar die de tegenstribbelende man de trein uit werkt. Iedereen haalt weer adem als we doorrijden, maar niet echt opgelucht. Daarvoor was het tafereel te pijnlijk.

Alsof er niets gebeurd is, begint de conducteur aan zijn rondje. Op het moment dat ik in mijn tas grijp, schiet mijn hart in mijn keel. Ik realiseer me dat ik de verkeerde tas bij me heb. Mijn portemonnee met daarin mijn treinkaartje ligt nog op de keukentafel. Hoe heb ik zo dom kunnen zijn. En dat uitgerekend vandaag.

„Ik heb mijn kaartje vergeten”, zeg ik tegen de conducteur. „En ik heb ook geen geld bij me.”

„Ach”, zegt hij met een vette knipoog. „Kan gebeuren.”

Reacties naar pdejong@ias.edu