Is het lesmateriaal over de slavernij te oppervlakkig?

Slavernijverleden

Racisme vindt voeding in slecht onderwijs over de slavernij, vindt hoogleraar Van Stipriaan. Auteurs van lesmateriaal verdedigen zich. Ook docenten hebben een taak.

Slavenhandel aan de Afrikaanse kust (1788), John Raphael Smith naar George Morland, uit het Rijksprentenkabinet te Amsterdam.

Grappig? Een witte middelbare scholier noemt een zwarte klasgenoot ‘slaaf’ na een les over het slavernijverleden. Een leerkracht vraagt waar een leerling is. Antwoord van een medescholier: „Bananen rapen in Afrika.” Aspha Bijnaar, socioloog en oud-medewerker van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden, kreeg de voorbeelden van leraren.

Racisme en kolonialisme staan volop op de agenda. In de discussie over Zwarte Piet, in het debat over etnisch profileren bij de politie, bij Artikel 1, de politieke partij van Sylvana Simons. En vorige week nog, toen kunstcentrum Witte de With in Rotterdam liet weten de naam van de ‘koloniale uitbuiter’ kwijt te willen.

Het Nederlandse slavernijverleden blijft hierbij niet onbesproken. Kennis daarover wordt bijgebracht op de middelbare school – in de onderbouw is geschiedenis verplicht. Maar sommige docenten mijden het onderwerp, en veel lesboeken voor de onderbouw schieten volgens experts tekort. Dat kan een „voedingsbodem voor hedendaags racisme” bieden, vindt Alex van Stipriaan, hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Hij bepleit daarom meer aandacht voor racisme en slavernij in het onderwijs, en genuanceerder geschiedenisboeken. Maar auteurs zijn terughoudend, blijkt bij een rondgang.

Minder diepgaand

Slavernij kreeg tot 1970 nauwelijks aandacht in schoolboeken. Dat veranderde rond de onafhankelijkheid van Suriname (1975), zegt Tijs van Ruiten, directeur van het Nationaal Onderwijsmuseum. Nederlanders vroegen zich toen af waarom Surinamers naar Nederland kwamen.

Maar dat was tijdelijk. De teksten zijn nu weer minder diepgaand dan twintig jaar geleden, stelt Van Ruiten, na lezing van de vier meestgebruikte methoden voor havo/vwo. „Sporen bracht in 1996 nog het echte verhaal, van twee kanten. De huidige methoden vind ik oppervlakkig en feitelijk. Eigenlijk te objectief. Men schrijft dat slaven naar Suriname werden gehaald – alsof een voetbalclub een nieuwe speler haalt. Zo wordt het onderwerp niet voelbaar en kun je de gruwelijkheid ervan niet overbrengen.”

Tekening van slaventransport, . 19e eeuw

Sprekend verleden-auteur Leo Dalhuisen wijst erop dat historici er niet zijn „om te onderwijzen wat goed en kwaad is. En schrijvers moeten de leerstof leerbaar formuleren.”

Ook Van Stipriaan concludeert na lezing van de boeken voor 2 havo/ vwo dat de teksten summier en oppervlakkig zijn. Eén positieve noot: sommige boeken geven enig inzicht in wat slavernij betekent voor slaafgemaakten. Zo schrijft Geschiedeniswerkplaats over slaven „in het benauwde ruim” van een schip, „vastgeketend in hun eigen uitwerpselen”. Maar, zegt Van Stipriaan, onvoldoende wordt de link gelegd met „een racistisch systeem” en beeldvorming over „inferieur en superieur” waarvan de erfenis nog zichtbaar is.

Een voorbeeld uit Feniks (2 vwo): „Ook vroeg men zich serieus af of die donkergekleurde wezens mensen of dieren waren.” Auteurs moeten melden dat we ‘donkergekleurde wezens’ nu afkeuren, vindt de hoogleraar. „Of nog beter, formuleer de zin anders. Want hiermee reproduceer je beelden die nog steeds bijdragen aan stereotypering en racistische beeldvorming. De inferieure zwarte die zijn plek moet weten. Slaaf en zwart als synoniem.”

Levend opgehangen aan zijn ribben. William Blake, 1796

Overdreven, vindt Feniks-auteur en geschiedenisdocent Jan-Wolter Smit. Volgens hem moeten vwo-leerlingen het niveau hebben om te zien dat ‘donkergekleurde wezens’ een achttiende-eeuws beeld is.

Volgens Van Stipriaan is er meer mis in de boeken. Het woord ‘slaven’ wordt nauwelijks afgewisseld met ‘mensen’. „Een aparte mensensoort wordt het daardoor bijna.” Termen als ‘ontdekkingsreis’ vindt hij discutabel. „Alsof een land pas bestaat als er een Europeaan geweest is.”

Dalhuisen is het er niet mee eens. In Sprekend verleden begint de geschiedenis van de Nederlandse koloniën niet met de komst van Europeanen, maar met de vroege geschiedenis van die landen, zegt hij. En de redactie is zich bewust van de maatschappelijke discussie. Zij praat over het gebruik van ‘blank’ of ‘wit’, en of ‘slaven’ vervangen moet worden door ‘tot slaaf gemaakten’.

Twee jaar geleden bekeek redacteur Bas Blokker met drie deskundigen het slavernijverleden in de schoolboeken voor de bovenbouw.

Van Stipriaan ziet ook vergoelijkend taalgebruik in Sprekend verleden (2 havo/vwo): „De inheemse bevolking was het vaak niet eens met de komst van de Europeanen. [...] Meestal was een aantal schoten met de scheepskanonnen voldoende om de inheemse bevolking tot samenwerking te bewegen.” De hoogleraar: „Miljoenen mensen zijn in alle mogelijke vormen van antikoloniale strijd gestorven. Hier wordt een heel traumatisch stuk geschiedenis verkracht.”

Auteur Dalhuisen zegt dat het soms nodig is wat ‘levendiger’ te schrijven om de aandacht van leerlingen te grijpen. Dit is geen bagatelliseren of verzwijgen, vindt hij.

Slavenverzet

Van Stipriaan wil ook meer aandacht voor „het verhaal van zwarte mensen”. Denk aan het slavenverzet, met leiders als Boni en Tula. Weinig boeken noemen hen. „Zo bevestig je het beeld van veel zwarte jongeren: jij hoort er niet bij en moet twee keer zo hard werken om dezelfde plek te verdienen in de samenleving als een wit persoon. En je draagt uit dat het een voetnoot is in de Nederlandse geschiedenis. Het duurde 2,5 eeuw.”

Mars door het moeras, op zoek naar gevluchte slaven in Suriname. Gravure toegeschreven aan William Blake

Feniks-auteur Smit werpt tegen: uitgevers bepalen hoe dik een boek mag worden, en de overheid schrijft al vijftig thema’s voor die behandeld móéten worden. Daar hoort overigens de slavernij bij. Maar een auteur kan natuurlijk accenten leggen, zegt Smit. Hij behandelt bijvoorbeeld wel Boni in zijn vmbo-tekst. En Sprekend verleden voor 3 havo/vwo noemt de strijder en beschrijft hoe Surinamers over slavernij dachten.

Waar boeken tekortschieten, ligt een grote rol voor leraren, vindt geschiedenisdocent Siem ten Haaf. „Geschiedenis wordt soms verbogen. Michiel de Ruyter wordt als held neergezet. Ik plaats kanttekeningen bij zulke zinsneden.”

Maar er zijn ook docenten die slavernij helemaal niet behandelen. Ongeveer een op de negen leraren in het voortgezet onderwijs zegt gevoelige onderwerpen niet te kunnen bespreken, aldus een rapport van het bureau DUO Onderwijsonderzoek & Advies (pdf).

Bijnaar en Van Stipriaan onderzochten in 2015 hoe onderwijzers les willen geven over slavernij. Sommigen zeiden moe te zijn van ‘dat verhaal’. Anderen vinden het te gevoelig in een etnisch diverse klas. Van Stipriaan: „Het roept emoties op waar sommige docenten geen zin in hebben.”

Ton van der Schans, voorzitter van de Vereniging van docenten in geschiedenis en staatsinrichting in Nederland, pleit voor begeleiding van onderwijzers die het moeilijk vinden over slavernij te doceren.

Volgens Van Stipriaan moet je het verhaal van meer kanten vertellen. „Een geschiedenis waarin je alleen trots kunt zijn op een land, is onwerkelijk. Laat zwarte Nederlanders meeschrijven aan de boeken.”