In strijd met de zwaartekracht

Modelvliegtuigjes ogen levensecht, maar vliegen in verhouding veel te snel. Een Duitse hobbyïst heeft er iets op gevonden.

Een echte Airbus 310 vertrekt vanaf de luchthaven van Moskou. Foto: AP Photo/Dmitri Lovetsky

Het eerste wat je ziet is meestal de bestuurder: een man (altijd een man) in een weiland of op een sportveldje met een zender voor zijn borst, die naar de lucht kijkt. Daar draait een vliegtuigje snerpend bochtjes, het klimt en het duikt, maakt loopings en ten slotte landt er een replica van, zeg, een Spitfire.

Verbluffend. Net echt. En toch zie je óók meteen dat er iets niet klopt. Zulke vliegtuigjes vliegen namelijk veel te snel. Ga maar na. Een echte Spitfire moet zo’n 160 km per uur vliegen om van de grond te komen (of te landen). Om realistisch te vliegen zou je bij een schaalmodel die snelheid met dezelfde factor moeten verkleinen. Bij een schaal van, zeg, 1:10 komt dat neer op zo’n vier meter per seconde. Maar dat is voor zo’n vliegtuigje veel te weinig om los te komen van de grond (of om zonder brokken te landen). Daarom vliegen radiografisch bestuurde schaalmodellen onnatuurlijk snel vergeleken bij de echte.

Bij schaalmodellen van passagiersvliegtuigen, die in het echt veel groter zijn dan een echte Spitfire, is dat effect nog sterker. Om zo’n vliegtuig als model nog enigszins hanteerbaar te houden, moet je het nog verder verkleinen dan 1:10. Want op die schaal heeft een model van een ‘middenklasser’ als de Boeing 737 nog steeds een vleugelwijdte van vier meter; 1:20 is een betere schaal.

Maar dan moet je die snelheden óók door 20 delen. Een echte 737 landt bij zo’n 270 km per uur (77 m/s), bij een schaalmodel van 1:20 zou dat dus een kleine vier meter per seconde moeten zijn, een snelheid waarmee het als een baksteen uit de lucht zou vallen.

Maar daar heeft de Duitse modelbouwer Martin Müller iets op gevonden. Zijn schaalmodel van een Airbus A310 doet sinds een paar jaar bij indoor-shows en op modelbouwbeurzen in de hele wereld overal monden openvallen. Zijn vliegtuig (schaal 1:22) vliegt onbegrijpelijk langzaam, ogenschijnlijk in strijd met de zwaartekracht. Maar – en dat is het verbluffende – het is ook een snelheid die volkomen levensecht lijkt als je je voorstelt dat dit géén schaalmodel is. Kijk door je oogharen en je ziet een echt vliegtuig dat zich langzaam in de lucht verheft.

Google Müller en je vindt tientallen filmpjes van zijn Airbus die opstijgt van de vloer van een sporthal, zijn langzame rondjes draait en weer neerstrijkt. Op de achtergrond maken toeschouwers verbijsterde geluiden.

„Deze video moet wel gemanipuleerd zijn”, is een gebruikelijke reactie. Velen breken zich het hoofd hoe kan een vliegtuig van drie meter lang en twee meter breed bij die krankzinnig lage snelheid in de lucht blijven? En nee, het zit niet aan een touwtje. Nu is het tijd voor een spoiler-alert. Kijk eerst, en lees niet verder. Oké? Gezien? Overtuigd?

Müllers geheim is: gezichtsbedrog. Zijn Airbus oogt zwaar maar weegt vrijwel niets. Dankzij het piepschuim waarvan de meeste onderdelen gemaakt zijn. De romp is zelfs van een nog lichter materiaal: plasticfolie. En die romp is gevuld met helium, dat een extra opwaartse kracht geeft. Zodoende weegt die Airbus, inclusief de twee elektromotoren, batterijen, het inklapbare landingsgestel, beweegbare vleugelkleppen en andere uitrusting niet meer dan 348 gram. Het is – bijna – een vliegtuigvormige ballon. Misschien is het maar het beste dat hij er niet mee naar buiten gaat. Hij zou zomaar wegwaaien.