Column

Geen sociaal akkoord? Leve de marktwerking

De onderhandelingen voor een sociaal akkoord zijn geklapt. Maar de vraag naar zo’n akkoord is er wel. Het aanbod ontbreekt – en dan stijgt de prijs.

Marktwerking. Zou dat geen gave manier zijn om een sociaal akkoord van werkgevers en vakbonden over flexibele arbeid, pensioenen en sociale regelingen te bereiken? Marktwerking staat in linkse kring en bij de vakbonden in een kwade reuk, ik weet het. De marktwerking in de gezondheidszorg is een favoriete schietschijf. Liberaal-rechtse partijen prijzen juist de heilzame werking van de markt. Krijg je met marktwerking dan vanzelfsprekend een ‘rechtse’ uitkomst?

Laten we het concept van marktwerking een eerlijke kans geven. Stel: er is een markt voor een product, in dit geval: een sociaal akkoord. Er is ook vraag van klanten en er is aanbod van producenten. Is er veel vraag, dan is een sociaal akkoord duurder; bij veel aanbod, daalt de prijs. Net als in de winkel.

Vorige week liepen de onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers op niks uit. Geen sociaal akkoord. Maar de vráág naar een sociaal akkoord is er wel: de kopstukken aan het Binnenhof die de kabinetsformatie leiden waren danig teleurgesteld toen werkgevers en vakbonden het nieuws kwamen vertellen. Iédereen aan de formatietafel had op een akkoord over arbeidsmarkt en pensioen gehoopt. Dat kun je naïef noemen, maar markt is markt. De eerste conclusie moet dus zijn: er is genoeg vraag.

Maar hoe zit het met het aanbod? De werkgevers en de vakbonden zijn de producenten van een sociaal akkoord. Zij zijn de aanbieders. Maar er is nu te veel wantrouwen. Te veel tegengestelde belangen, zoals behoud van verworven rechten bij doorbetaling bij ziekte. De drie vakbonden, FNV, CNV en de VCP, vormden een voldoende hecht front om nee te zeggen. De werkgevers en de politici aan de onderhandelingstafel hadden kennelijk te weinig te bieden om verdeeldheid te zaaien tussen de vakbonden.

Een aanbod van de formatietafel voor hogere salarissen in het basisonderwijs zou de stemming verbeteren.

De politieke constellatie is voor de vakbeweging natuurlijk ook niet uitnodigend. Straks zitten er twee partijen in het kabinet, VVD en D66, die je als ideologische tegenstander kunt aanmerken. Dus je kunt nu wel een sociaal akkoord tekenen, maar wat blijft daarvan over in de kabinetsformatie? De tweede conclusie kan dus zijn: er is geen c.q. onvoldoende aanbod.

Wat gebeurt er op een markt als er wél vraag is naar een product, maar er is geen of weinig aanbod? Dan stijgt de prijs. Elke marktkoopman en elke huisvrouw weet dat. Op die manier kunnen de vragende partijen zeggen: wij willen dat akkoord héél graag krijgen. Wij trekken de portemonnee. Wij bieden een hogere prijs.

Hoe? Daarvoor zijn legio mogelijkheden. Het helpt dat de vragende partijen zelf straks óók aanbieders zijn. De formerende politici beïnvloeden straks als kabinet via de begroting de onderhandelingsruimte voor lonen en arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren, leraren en werkers in de gezondheidszorg. Dan zijn zij zelf werkgevers.

Een aanbod van de formatietafel voor hogere salarissen in het basisonderwijs zou de stemming al verbeteren. Of geld voor dat knagende AOW-gat van defensiepersoneel. Of lastenverlichting. Of een plan om de spelregels op de arbeidsmarkt te veranderen, zodat werkgevers en bonden in cao’s afspraken kunnen maken over minimumtarieven van zelfstandigen zonder personeel. Of door financiële risico’s van werkgevers over te nemen bij (langdurige) ziekte van werknemers.

Natuurlijk is op al die ‘prijsverhogingen’ van alles af te dingen. Liberale critici zullen het zien als toegeven aan de pressie van de ‘polderbaronnen’. Maar marktwerking is nu eenmaal geen gratis lunch. Dat moet iedereen aan de onderhandelingstafel toch weten?

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.