Recht & Onrecht

Een parlementaire enquête helpt de politie van de wal in de sloot

De politie heeft eerder parlementaire ondersteuning nodig dan parlementaire bemoeienis in de vorm van een enquete. Marnix Eysink Smeets geeft Marc Schuilenburg antwoord.

enquetecommissie Fyra foto ANP Bart MAat

Het functioneren van de politie is te lang onder de maat, zo betoogt Marc Schuilenburg vorige week in zijn politiecolumn. Er is sprake van fundamentele problemen die maar blijven aanhouden, terwijl kritiek luchthartig wordt weggewuifd. Dat moet worden doorbroken met een parlementaire enquête, zo meent hij.

Ik begrijp – en deel - Schuilenburgs zorg. Het is inderdaad geen kattenpis wat we de laatste jaren in en rond de politie hebben gezien. Van leiderschap dat ‘dienend’ moest zijn, maar ‘vérdienend’ bleek. Van pijnlijke missers in de criminaliteitsbestrijding. Van integriteitskwesties. Om nog maar te zwijgen van de deuk die de reorganisatie en de diverse affaires sloegen in het moreel van de ontelbare politieprofessionals die elke dag gepassioneerd hun werk willen doen. Dat er bij de politie dringend (véél) gebeuren moet, leidt dus geen twijfel. Zeker omdat het me niet zou verbazen als ons nog nieuwe verrassingen te wachten staan. Maar Schuilenburgs voorstel - intensieve politieke bemoeienis in de vorm van een parlementaire enquête – brengt de gewenste kwaliteitssprong niet dichterbij. Integendeel.

Pijnlijk

Wie terugkijkt ziet immers dat de situatie waarin de Nationale Politie zich nu bevindt juist deels op dergelijke verregaande politieke bemoeienis terug te voeren is. De Nationale Politie kwam tot stand onder politiek-bestuurlijk ‘stoom en kokend water’, zoals Hoogenboom recent nog schreef. Daarbij werden politiek-bestuurlijke keuzen gemaakt die meer door wishfull thinking waren ingegeven dan door realiteitszin. Tal van waarschuwingen (over lokale inbedding, centralisering, niet stapelen van reorganisaties in een fusieproces, het langdurig naar binnen slaan van de energie en ga zo maar door) werden in de wind geslagen. Terwijl nu elke dag pijnlijk duidelijk is hoe gegrond die waarschuwingen waren.

Schuilenburg gaat ook voorbij aan enkele cruciale veranderingen die zich in de afgelopen tijd hebben voltrokken. De belangrijke sleutelposities worden nu door heel andere spelers ingenomen. In de politiek-bestuurlijk top op het departement, in de korpsleiding. Daardoor zit er nu ook net een korpschef aan het roer waar vriend en vijand (wel) vertrouwen in hebben. Niet alleen door zijn woorden, maar vooral ook door zijn (eerste) daden.

Tijdverslindend

Deze korpschef heeft op dit moment twee majeure opgaven: (1) het repareren van de ellende van de reorganisatie (en de andere door Schuilenburg beschreven problemen) en, tegelijkertijd, (2) het vinden van een effectief antwoord op het razendsnel veranderende veiligheidslandschap. Een antwoord dat ook búiten de politie nog niemand goed weet te vinden. Daar heeft de politie (en deze korpschef) niet nog een dérde opgave bij nodig: het tijdverslindende ritueel van een parlementaire enquête. De recente geschiedenis laat immers zien dat een parlementaire enquête weliswaar mooie televisie oplevert – en een carrièresprong voor menig backbencher - maar dat we weigeren er echt van te leren. We dronken een glas, we deden een plas… Als we werkelijk verbetering willen, moeten we de politie dus niet langdurig tijd gijzelen een circus dat ons alleen de illusie van verbetering geeft.

Minder bemoeienis

Maar wat dan wel? Want met de constatering dat een extra impuls nodig is, heeft Schuilenburg immers helemaal gelijk. Paradoxaal genoeg helpen we de politie vermoedelijk het meest met niet méér, maar juist mínder politieke (in het verleden vooral: micro-)bemoeienis. Waarbij vanzelfsprekend duidelijke kaders worden gesteld, maar de korpsleiding vervolgens vooral de rust, de ruimte en het vertrouwen krijgt om de verbeteringen te realiseren die zij nodig acht. En waarbij een volwassener dialoog wordt gevoerd over wat de politie nodig heeft om daar te komen. De politie heeft dus in die zin niet meer parlementair onderzoek nodig, maar meer parlementaire ondersteuning.

Corset

Mochten we toch de verleiding van een parlementaire enquete niet kunnen weerstaan, laat die zich dan niet louter richten op de Nationale Politie, maar op het drama dat zich op dit moment bij bijna alle Nederlandse uitvoeringsorganisaties voltrekt. Bij de Belastingdienst, het UWV, Defensie, in het onderwijs, de gezondheidszorg.

Wij zijn in Nederland deze organisaties gaan sturen, organiseren, financieren op een manier die er op papier fantastisch uitziet, maar die in de praktijk de dienstverlening in een verstikkend corset blijkt te rijgen, de professionals richting burn-out duwt en de burger van de overheid doet vervreemden. Wat zich bij de politie afspeelt moeten we óók in dat licht durven zien. Als dus al het instrument enquête van stal wordt gehaald, laat het dan gericht zijn op dat bredere drama van de uitvoering. Als daar dit keer wél wat van leren, geven we (ook) de politie een impuls, maar dan zonder de verlammende werking van een politie- enquete.

Marnix Eysink Smeets is lector Publiek Vertrouwen in Veiligheid op Hogeschool Inholland, Hoofd van de onderzoeksgroep Recht & Veiligheid en directeur van de Landelijke Expertisegroep Veiligheidspercepties. Hij doet veel onderzoek naar de manier waarop burgers de veiligheid ervaren, de huidige veranderingen in het veiligheidslandschap en de betekenis hiervan voor het veiligheidsbeleid.