Recensie

‘Lampenmakers’ is rommelig en ontbeert spanning

‘Lampenmakers’ speelt zich af in het spanningsveld tussen het oude familiebedrijf Philips en de multinational die het zou worden, maar het lukt de theatermakers niet om de dramatiek te vangen.

De Philips-gloeilamp brengt „licht in de donkerte”, zingen twee amateur-zangeressen tijdens het afscheid van een topman van Philips. En voor het scheerapparaat Philishave geldt „dat elke baard er weg van is”. Welbewust begint de voorstelling Lampenmakers met nostalgie: scheidend president-directeur Frits van Katenburg krijgt een feestje aangeboden.

Deze muziektheatervoorstelling door Het Zuidelijk Toneel speelt zich af op de breuklijn van Philips als familiebedrijf en de huidige multinational met machtige aandeelhouders. Opvolger Alex Ben Melchert neemt rigide en pijnlijke beslissingen. Hij schaft het Philipslogo af op PSV-shirts en voert de verhuizing uit Eindhoven naar Amsterdam door. De fictieve namen Van Katenburg en Melchert geven aan dat Lampenmakers geen historische reconstructie is, maar een poging de dramatiek van de oude naar de nieuwe tijd te vangen. Dat is slechts zeer ten dele gelukt.

Regisseur Roel Swanenberg en tekstschrijver Marcel Osterop spraken anderhalf jaar lang met betrokkenen. Met Lampenmakers voltooien ze een documentair drieluik over de machten in Eindhoven: Waterdragers (2014) over de politiek en De Waakhonden (2015) over de pers, het Eindhovens Dagblad. Lampenmakers is in intentie een koningsdrama over frictie achter de schermen van een roemrijk bedrijf dat zichzelf telkens opnieuw moet uitvinden. Maar de vorm is rommelig en telkens ligt de aandacht elders. Er is de belofte van een tombola, maar die gaat geluidloos voorbij. Het werkelijke drama tussen Bart Klever (een perfecte rol die de ‘oude’ Philips symboliseert) en Tijn Docter als de radicale nieuwlichter speelt zich goeddeels in het verborgene van kleedkamer of wandelgangen af, zodat we naar video’s kijken. Er is slechts één keer sprake van een spannende confrontatie, wanneer Docter de aandeelhouders toespreekt en Klever zich hartstochtelijk roert: hij verzet zich tegen het verdwijnen van Philips als sociale werkgever.

Hierin ligt een prachtige kern voor theater, dat klein en fel gespeeld zou kunnen worden. Maar opeens rijgen de spelers zich aaneen tot een rouwstoet, begeleid door sombere klanken van componist Nicolas Rombouts. Ze dragen de uitvindingen van Philips ten grave die in de markt mislukten. Ook deze scène ontbeert spanning.

Gelukkig is er nog een scène die het grootse inruilt tegen het intieme: dat is wanneer acteur Peter Vandemeulebroecke uitlegt dat „mijn papa uitvinder was van een unieke productiecode”. De code leeft voort, maar de vader werd bij Philips ontslagen. Dit detail is mooi omdat het op kleine schaal een groot leed uitdrukt.