Column

Armstrong revisited

Tennis is, met voetbal, mijn favoriete kijksport, zoals de vaste lezers van deze column niet ontgaan zal zijn. Stel je voor dat ik na al die jaren tot de conclusie moet komen dat ik mijn tijd verdaan heb door te kijken naar bedrog op grote schaal.

Rod Laver, Jimmy Connors, John McEnroe, Björn Borg, Pete Sampras, Richard Krajicek, Roger Federer, Rafael Nadal, noem ze maar op – allemaal dopinggebruikers, die druk in de weer waren met hormoonpreparaten en bloedtransfusies, daarbij geholpen door ploegartsen en soigneurs, terwijl de betrokken journalisten erover zwegen, óf omdat ze niet wisten wat er gebeurde, óf omdat ze nog wat langer meewilden in dat corrupte wereldje.

Nu is ook tennis geen schone sport, want schone sporten bestaan er niet; ook tennissers zijn op doping en matchfixing betrapt. Hetzelfde geldt voor voetbal en andere sporten. Toch maakt de corruptie in die sporten een incidentele indruk, vergeleken met het systematische bederf dat de wielersport tot in het merg heeft aangetast. Van de tennisgrootheden die ik noemde, is niemand te vergelijken met de bedrieger Lance Armstrong.

Het houdt maar niet op met onthullingen over de wantoestanden die zich de afgelopen decennia in de wielersport hebben voltrokken. De lijken blijven uit de kast kletteren. Armstrong revisited.

De jongste onthulling is de bekentenis van de gewezen wielerarts Peter Janssen, afgelopen zaterdag in de Volkskrant. Hij schetst een vernietigend beeld van de praktijken die hij vanaf 1986 als wielerarts heeft meegemaakt. Hij zet uiteen hoe renners als Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse in de jaren tachtig konden schitteren in de Tour de France dankzij hormoonpreparaten en bloedtransfusies: „Ik zat echt met kippenvel te kijken. Ik wist niet dat het zo veel verschil zou maken.”

In Nederland zaten we mee te kijken, allemaal juichend op de bank. Die Theunisse – wat ’n klasbak, hij ging maar door, waar haalde die jongen het vandaan? Uit de bloedzakken van dokter Janssen, die pas ruzie met Theunisse kreeg toen die naast bloeddoping ook nog testosteron bleek te gebruiken; daarmee viel Theunisse door de mand. „Theunisse heeft mij zo ontzettend belazerd. In die Tour was de afspraak: geen testostoron.”

Vijf vragen over de dopingkwestie rond Van Moorsel. Raakt ze bijvoorbeeld haar medailles nu kwijt?

Met epo (hormoon waardoor het bloed meer zuurstof opneemt) hielp Janssen ook Leontien van Moorsel aan haar grote successen, waaronder Olympische titels.

Wat in het verhaal van Janssen opvalt is zijn terugkerende bewering dat wielerofficials hem oogluikend zijn gang lieten gaan. Hij had goede contacten met artsen van de UCI (de Internationale Wielerunie) die hem inlichtten over hun dopingcontroles. „Ze waren bereid informatie te delen over het antidopingbeleid en de testmethoden.”

Hoe nuttig ook, de bekentenis van Janssen heeft iets onsympathieks. Hij verraadt de sportmensen die hem als arts blindelings vertrouwden. Kennelijk maakte zijn geweten het hem de laatste tijd te lastig. Hij pleit nu voor een compleet onafhankelijke dopingbestrijding, waarmee hij suggereert dat dopinggebruik nog steeds goed mogelijk is.

Ik moest meteen denken aan Tom Dumoulin, onze nieuwe wielerhoop. Zou hij ook? Nee toch? Het lijkt mij een keurige schoonzoon, maar in de wielersport weet je nooit iets zeker.