In de EU is voor elk land wat te halen

In zijn nieuwste boek After Europe schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev over een intrigerend experiment dat de Britse opiniepeiler YouGov jaren geleden uitvoerde: het bedrijf vergeleek een groep jonge politieke junkies met een groep jonge actieve fans van de tv-show Big Brother. Raad eens welk van beide groepen zich beter vertegenwoordigd voelde. Raad eens wie zich beter kon identificeren met de hoofdrolspelers, met de onderwerpen die speelden. Inderdaad: de Big Brother-fans scoorden beter dan de politieke activisten. Zij vonden de show open en toegankelijk. Ze konden er hun ei kwijt, herkenden zich in de protagonisten en verveelden zich geen moment. „Die shows gaven burgers een soeverein, machtig gevoel”, schrijft Krastev. „Precies wat democratische verkiezingen teweeg zouden moeten brengen. Maar die slagen daar niet meer in.”

Krastevs boek gaat over Europa. Maar dat maakt de vergelijking des te pregnanter. Hét probleem waar klassieke partijen in veel westerse democratieën mee worstelen, is het kweken van politieke identiteiten. Nationaal gaat dat in veel landen steeds moeizamer; mensen hoppen van de ene partij naar de andere of stemmen helemaal niet meer.

Op Europees niveau is het helemaal dramatisch. In veel landen slagen populistische partijen er beter in dan anderen om burgers aan zich te binden. De populisten begrijpen, net als de tv-makers, dat je die band niet alleen kweekt door belangen van burgers te vertegenwoordigen, maar vooral door een wereld op te roepen van gedeelde ervaringen. Een wereld van doorleefde emoties en instincten, niet van rationele argumenten. Als Thierry Baudet een vliegtuigje huurt om te protesteren tegen de benoeming van een omroepbons, laat hij burgers zien dat zijn afkeer van het regenteske Nederland even groot is als het hunne. Hij zet een tent op waar zij in willen schuilen. Dat hij fakenieuws rondtwittert, negatief is en pedant, en zelf tot de elite behoort die hij beschimpt, vergeven ze hem. Het ruikt naar „een van ons”.

Nationale politici weten hier niet goed antwoord op. Europese politici nog minder. De naoorlogse Europese integratie is een rationeel project dat moet voorkomen dat precies dit soort instincten, die leiden tot uitsluiting en vernedering van bepaalde groepen en ten slotte tot geweld, ooit weer de bovenhand krijgt. Alles draait om belangen van meerdere landen, en het zorgvuldig afwegen daarvan. Er mogen geen winnaars en verliezers zijn. Kleintjes zijn beschermd tegen groteren. In de EU is voor elk land wat te halen, tenzij het de grondregels met voeten treedt (zoals Polen nu gaat voelen). Maar als regeringsleiders na een Europese top uit Brussel komen, benadrukken ze maar één ding: dat ‘we’ gewonnen hebben. Niet één van hen legt uit dat het in Europa draait om compromissen, om geven en nemen. Dat je dus altijd wat wint én verliest – en dat dat oké is.

Europa kan nooit floreren als nationale politici blijven weigeren om de volle verantwoordelijkheid te nemen voor de beslissingen die ze in Brussel nemen. In feite tuigen ze dit hele circus op om te zeggen: „Wij hebben misschien wel boodschap aan het Europees belang, maar we hangen het jullie niet aan de neus.” Dat is pure minachting van de kiezer.

Om deze reden is Krastev somber over Europa. Hoe feller de populistische appèls op identiteit, hoe minder premiers en ministers willen vertellen wat ze in Brussel uitvoeren. Hoe minder ze daardoor ook wíllen uitvoeren. Ze misleiden de burger, om zijn stem te krijgen. Zo worden zij, mainstream-politici, net zo’n bedreiging voor Europa als de extremisten.

Caroline de Gruyter schrijft over politiek en Europa.