Met je kin op de stang omhoog, zo steil

De laatste 2,5 kilometers blijven gekkenwerk

Tim de Waele

David Millar zit al de hele dag narrig op zijn fiets, op het labiele af zelfs. Zijn lijf doet niet wat hij wil, terwijl dat wel had gemoeten: voorafgaand aan de Vuelta van 2002 heeft de Schot doping gebruikt, en hoewel hij nog in de top-10 van het klassement staat, weet hij al dat het deze zondag een martelgang gaat worden en dat hij tijd gaat verliezen.

Het is 22 september 2002, ruim 140 renners maken zich in Gijón op voor de vijftiende etappe over 176,7 kilometer, de zwaarste rit deze Ronde van Spanje. Niet zozeer de afstand of het klimwerk tussendoor boezemt iedereen angst in, het is de slotklim die al dagen voor de start onderwerp van discussie is. De Alto de L’Angliru, pas één keer eerder opgenomen in het parcours van de Vuelta (in 1999), heeft de reputatie van zwaarste beklimming in de wielersport, met stijgingspercentages tot 23,5 procent. „Onmenselijk”, zei de Spaanse renner Oscar Sevilla eens.

Staken door het slechte weer

José Luis Rubiera, afkomstig uit Gijón, maakt die ochtend een ronde langs de teambussen. Hij waarschuwt ploegleiders en renners voor het slechte weer op de 1.570 meter hoge berg in de autonome regio Asturië, Noordwest-Spanje. Hij stelt zelfs een staking voor als de wegen onbegaanbaar blijken. Als man van de regio weet hij dat neergedwarreld stof uit de kolenmijnen in combinatie met mist en regen van het wegdek rond de Angliru een glibberboel kunnen maken. Renners knikken instemmend, maar als de wedstrijd eenmaal op gang is geschoten, is iedereen de gentlemen’s agreement gauw vergeten. Op David Millar na. Die verdomt het gedrag van zijn collega’s.

Foto Pete Goding/Hollandse Hoogte

In de afdaling naar de Angliru vliegt de Schot, een begenadigd tijdrijder, uit de bocht. Met een van pijn vertrokken gezicht en in de foetushouding blijft hij in een berm liggen, maar hij kan zijn weg even later vervolgen. Kort daarna valt hij nog eens, gewoon, op een recht stuk. Hij tiert en scheldt. Er was nog zo gewaarschuwd. Links en rechts ziet hij renners met bebloede ledematen en gehavende wielerpakken zich een weg banen richting de gevreesde berg. Aan de voet glijdt Millar nog maar een keer onderuit, en als zijn frame wordt overreden door een volgwagen, knapt er iets in hem. „Dit had niets meer met wielrennen te maken”, zegt hij aan de telefoon. „Fuck this, dat is wat ik dacht.”

Millar rijdt met een gebroken moraal omhoog door de steeds dichter wordende mist – een alledaags verschijnsel rond de Angliru – en vraagt zich na elke haarspeldbocht af waarom hij hier in hemelsnaam rijdt. Onderweg wordt hij meer dan eens opgehouden door een wagen van de Baskische ploeg Euskaltel-Euskadi, die vanwege de hellingsgraad en de gladde wegen vast is komen te staan. Als Millar na een uur zwabberen en zwoegen de finishboog in het vizier krijgt, neemt hij een radicaal besluit: een meter voor de streep knijpt hij in zijn remmen, hij stapt af, trekt zijn rugnummer van zijn shirt en smijt het tegen de grond. Foeterend klimt hij over de dranghekken en stapt hij de wagen van zijn ploeg Cofidis in. Hij geeft op, uit protest. „Het was een statement naar de organisatie”, zegt Millar, die de top van de Angliru nadien nooit meer terugzag. „Iemand moest hier iets tegen doen, deze etappe was veel te gevaarlijk. Het moet altijd maar spectaculairder, maar er zijn grenzen. Mijn ploeg was er bepaald niet blij mee, dus ik moest een dag later mijn excuses maken. Maar de boodschap was wel overgebracht: mijn actie werd een verhaal, en er werd over onze veiligheid gesproken.”

Met je kin op de stang omhoog

Koos Moerenhout is die dag de laatst overgebleven Nederlander in de Vuelta. Bram Tankink en Jeroen Blijlevens zijn al uitgevallen. Moerenhout heeft in zijn carrière de nodige Alpencols bedwongen, maar nooit eerder moest hij in een wedstrijd zo steil omhoog fietsen. Hij herinnert zich de enorm dichte mist van die septemberdag, voor hem een mentaal voordeel. „Want daardoor zag ik niet hoe ver ik nog moest. Ik ging af op het geluid van het publiek op de etages boven me.”

In de wolken en ergens achteraan het peloton kruipt Moerenhout op de steilste stukken zowat in zijn fiets, vertelt hij. „Ga je op de pedalen staan, dan haal je de druk van je achterwiel en glijd je weg. Maar als je te veel achterop je zadel gaat zitten, trek je je voorwiel van de grond. Dat betekent dat je bijna met je kin op je voorbuis omhoog moet.”

Moerenhout rijdt de Angliru omhoog met een mountainbikeverzetje, overigens net als winnaar Roberto Heras. De Spanjaard, dan al eens winnaar van de Vuelta, vliegt omhoog in iets minder dan 42 minuten, nog altijd de snelste tijd ooit, maar heeft daarvoor wel een ‘triple’ op zijn fiets nodig; drie tandwielen voor bij de trapas, vandaag de dag gemonteerd op de fiets van een amateur. Moerenhout ploetert daar ver achter en verliest meer dan twintig minuten op een klim van dertien kilometer. Uitgehongerd komt hij boven. Hij voelt zich een circusartiest, capriolen uithalend om niet stil te vallen. „In de Alpen en Pyreneeën klim je met je benen, maar de Angliru is zo extreem steil dat je je hele lijf nodig hebt om te duwen en te trekken. Je komt nooit in je ritme.”

Na de wedstrijd barst er een discussie los over de zin en onzin van de Angliru als scherprechter van de Vuelta. Veel renners vinden dat de beklimming alle grenzen te buiten gaat, dat-ie te extreem is.

De geboorte van een legende

Maar daar was het de parcoursbouwers medio jaren negentig precies om te doen. De minst populaire grote ronde wilde wedijveren met de Giro en de Tour, en zocht voortdurend naar manieren om de wedstrijd aan de man te brengen. Er moest historie worden geschreven als op de Mont Ventoux in Zuid-Frankrijk of de Italiaanse Passo di Mortirolo. Daar praten de mensen decennia later nog over. De Vuelta had dat niet.

In het boek Angliru, de nieuwe top van het wielrennen, schrijft journalist en oud-renner Enrique Cima dat de gevreesde beklimming in 1998 per brief werd aangedragen door een pr-medewerker van het bedrijf ONCE. Miguel Prieto realiseerde zich al wandelend in het gebied dat deze kronkelende bergweg de Vuelta nog wel eens het broodnodige elan zou kunnen bezorgen. Voor de voormalig Vuelta-directeur Enrique Franco was de ontdekking van de Angliru, tot dan ‘La Gamonal’ geheten, een schot in de roos: „Een Vuelta zonder Angliru is als een marathon van vijf kilometer”, zei hij al na de eerste editie. Een legende was geboren. Koos Moerenhout: „De Vuelta was met de Angliru zelfs een trendsetter. Daarna kwam de Giro bijvoorbeeld met de Monte Zoncolan, voor mij zo ongeveer even zwaar.”

Niet zozeer de lengte draagt bij aan de mystiek van de Angliru, die de Spanjaarden ‘El Olimpo del Ciclismo’ noemen – de Olympus van de wielersport. Amper dertien kilometer lang, vanaf het dorpje La Vega, tweederde van de Mont Ventoux bijvoorbeeld. Het gaat vooral om de hellingshoek in het tweede deel van de klim. Want de aanloop is rustig, vlak na de afslag richting Grandiella gaat de weg met ongeveer 7 procent omhoog, de top gelegen aan de linkerkant.

Halverwege begint de ellende met de Questa les Cabanes, een strook van 500 meter à 22 procent, links en rechts bergweiden en koeien, die gerust de weg oversteken. Daarna vlakt de klim af naar 15 procent en wordt het bosrijk tot het onbetwiste zwaartepunt, waar Roberto Heras in 2002 de etappe naar zijn hand zette en waar David Millar werd klemgereden door auto’s die met verschroeide koppelingsplaten geen kant meer op konden: het gevreesde ‘geitenpad’ – cuena les Cabres – met stijgingspercentages tot 23,5 procent. Renners die hier stilvallen zullen de top niet bereiken, want ze kunnen nergens genoeg vaart maken om de fietsschoen terug in het klikpedaal te krijgen. Diagonaal zwalkend, dat is het beproefde recept, ook bij de profs. „Mag je dit wielrenners aandoen?”, vroeg de Vlaamse wielercommentator Michel Wuyts zich in 2001 hardop af. „Nee toch zeker?”

Want de laatste 2,5 kilometers blijven gekkenwerk: stukken van 21,5 procent tot aan een kale parkeerplaats op de top.

De laatste klim van El Pistolero

Ondanks protesten wordt de Angliru zaterdag voor de zevende keer beklommen en gaat de Vuelta er beslist worden. Chris Froome verdedigt een voorsprong van ruim anderhalve minuut op Vincenzo Nibali, en 2.17 minuut op Wilco Kelderman. Op supersteile beklimmingen is Froome kwetsbaar gebleken, zo bleek woensdag onderweg naar Los Machucos.

Dat weet ook Alberto Contador, in 2008 als eerste boven op de Angliru en anderhalve week later winnaar van de Vuelta. Het geitenpad wordt de laatste acte in de wielercarrière van El Pistolero. Hij staat vijfde, 3,5 minuut achter Froome, en zal worden voortgestuwd door duizenden landgenoten. Weersvoorspelling tegen vijven: 8 graden, windkracht vier, kans op regen. David Millar zit voor de buis.