Column

Wigga

Onze jongste zoon (14) begint zich te ontwikkelen tot wat ze in straattaal een ‘wigga’ noemen, een term waarvan ik niet zeker weet of het een scheldwoord of juist een koosnaampje is. Het komt van het Amerikaanse ‘wigger’, een samenvoeging van white of wannabee en nigger (met excuses voor het gebruik van dit nare woord). Op zich niks verontrustends, want ook onze twee oudste zonen voelden zich in hun puberteit tijdelijk aangetrokken tot de ‘zwarte’ straatcultuur en imiteerden het stereotype taalgebruik, gedrag en kledingstijl. Bij de oudste bleef het hoofdzakelijk bij een onschuldige imitatie van Michael Jackson en zijn moonwalk, maar bij de middelste werd het al serieuzer. Zijn telefonische conversaties met vrienden waren voor ons niet te volgen en we moesten maar gissen naar wat hij zoal uitspookte. „Kom naar me osso, gaan we een jonko bouwen,” was een alsmaar terugkomende zin die ik opving. En wij al die tijd maar denken dat „jonko bouwen” betekende dat hij een feestje ging bouwen. Zijn zakgeld ging in die tijd niet alleen naar „jonko’s” (joints), maar ook naar goudkleurige schakelkettingen en horloges of „strakke patta’s” (gymschoenen). Het ging allemaal weer over.

Onderweg naar een bankfiliaal in de Zwart Janstraat kondigde onze jongste zoon afgelopen week plompverloren aan dat hij ambities heeft in de drugswereld. „Want je denkt toch zeker niet dat ik vakken ga vullen bij Albert Heijn?” Toen ik hem vroeg hoe hij het in godsnaam in zijn pukkelige, botte hoofd haalde, begon hij een heel verhaal over de ellende van ‘walou floes’ (geldgebrek) en legde de schuld bij al die rappers die over niets anders zingen dan de bergen ‘duku’s’ of ‘floes’ die je met drugshandel kunt verdienen. „En veel duku’s betekent ook veel fissa en chickies ” (feest en meisjes). Ik probeerde nog wat met griezelige verhalen over criminele afrekeningen en jarenlange celstraffen, maar dat maakte weinig indruk. „Pablo Escobar is toch ook een held en had toch ook een fantastisch leven?”

Wat gaan we doen in deze creepy buurt, ma? Kunnen we niet naar de bank op de Coolsingel ofzo?

Toen we aankwamen in de Zwart Janstraat stopte zijn gebluf en keek hij bezorgd om zich heen. „Wat gaan we doen in deze creepy buurt, ma? Kunnen we niet naar de bank op de Coolsingel ofzo?” En ik zei plagerig: „Als je dit al griezelig vindt, dan krijg je het nog zwaar in de drugshandel.” Na het ophalen van zijn nieuwe (allereerste) bankpas wilde hij zo snel mogelijk het ‘getto’ weer uit om thuis veilig vanachter zijn computer een ‘gouden’ horloge te kunnen bestellen.

Diezelfde avond had hij opnieuw een schokkende mededeling: „Ik wil gouden tanden.” In een opwelling greep ik mijn slipper en smeet hem naar zijn hoofd. „Ya latif!” riep ik er zelfs nog bij, wat zoiets betekent als „oh lieve heer” in het Marokkaans. „Wat doe je?” vroeg hij verbouwereerd. „Ik doe wat de moeders van je Marokkaanse en Antilliaanse vriendjes ook zouden doen als ze boos zijn op hun zonen”, beet ik hem toe. „Precies zoals je het hebben wilt toch, wigga?!”

(@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.