Recensie

Vrede dankzij Pjotr Iljitsj Tsjaikovski

Van Cliburn

Op fascinerende wijze beschrijft de Brit Nigel Cliff hoe een jonge Amerikaanse pianist door het winnen van een muziekconcours in Moskou voor ontspanning in de Koude Oorlog zorgde.

Bij zijn terugkeer uit Moskou wordt Van Cliburn op 20 mei 1958 in New York als een held onthaald Foto AP Photo/ Jack Harris

Op 20 mei 1958 werd de 23-jarige pianist Van Cliburn in New York op een ticker-tape parade onthaald. Een maand eerder had hij in Moskou het Eerste Internationale Tsjaikovski Concours gewonnen en sindsdien was hij een nationale held. Niet zozeer door zijn indrukwekkende optreden, want dat was de meeste Amerikanen ontgaan, maar wel door de symboliek van zijn muzikale triomf.

Het was middenin de Koude Oorlog, die door de Russische voorsprong op kernwapengebied en de dreigementen van Sovjet-leider Chroesjtsjov om met zijn raketten de Verenigde Staten te vernietigen, steeds meer angst zaaide. Cliburn bood zijn landgenoten hoop, omdat hij zijn Russische tegenstanders op hun eigen grondgebied had verslagen en daarmee liet zien dat de Verenigde Staten nog wel degelijk iets voorstelden.

De Britse schrijver Nigel Cliff greep Cliburns lotgevallen aan voor een origineel boek: Moskouse nachten. Hoe een man en zijn piano de Koude Oorlog veranderden. Behalve de politieke geschiedenis van die jaren behandelt hij hierin het leven van een musicus, die door zijn liefde voor Rusland onbedoeld een vredesapostel werd.

Stalins opvolger Nikita Chroesjtsjov, onder wiens bewind het concours werd gehouden, komt er bij Cliff opvallend gunstig vanaf, al wordt hij neergezet als een ludieke wildebras die er genoegen in schiep om de Amerikanen op de kast te jagen door met een grootscheepse kernaanval te dreigen. Ondanks dat spel, kan Chroesjtsjov bij Cliff geen kwaad doen, vooral omdat hij de overwinning van Cliburn mogelijk maakte toen de jury, gedrild door de Stalinterreur, die prijs niet aan een Amerikaan – een vijand – durfde te geven.

Baptistengezin

De hoofdmoot in dit fascinerende boek is het leven van Van Cliburn, een wereldvreemd en naïef wonderkind uit Texas. Geboren in 1935 in het baptistische gezin van een medewerker van een oliemaatschappij en een pianolerares, wilde hij al op 5-jarige leeftijd concertpianist worden. Hij had het geluk dat zijn moeder in haar jonge jaren les kreeg van Arthur Friedman, die weer een leerling was van Anton Rubinstein en Franz Liszt. Op de Juilliard School of Music in New York belandde de 17-jarige Cliburn bij de vermaarde pianodocente Rosina Lhévinne, een product van de Russische Romantische pianoschool van Tsjaikovski en Rachmaninov.

In de jaren voorafgaand aan zijn Moskouse triomf rees Cliburns ster gestaag. Hij had verschillende Amerikaanse concoursen gewonnen en gaf het ene concert na het andere. Maar de routine verveelde hem en hij snakte naar een uitdaging.

Als kind al droomde Van Cliburn van het Rusland van tsaren, bojaren, beierende Kremlinklokken, Russisch-orthodoxe gezangen. En toen de Sovjet-leiding vijf jaar na Stalins dood besloot een internationaal concours voor piano en viool te organiseren dat de wereld van de genialiteit van de Sovjet-mens moest overtuigen, stuurde Lhévinne haar sterleerling daar onmiddellijk heen.

Voor de Sovjet-autoriteiten was het een uitgemaakte zaak dat een Sovjet-musicus het concours zou winnen, vooral omdat de deelnemers voornamelijk werk van Russische componisten als Rachmaninov en Tsjaikovski moesten uitvoeren. Maar het liep anders, omdat CliburnTsjaikovski en Rachmaninov speelde als de beste Rus. De laatste noten van Tsjaikovski’s Eerste Pianoconcert, met Kiril Kondrasjin als dirigent, waren nog niet verstomd, of het publiek ging uit zijn dak. Het scandeerde koosnaampjes als ‘Vanja’ en ‘Vanjoesja’. Sommigen meenden dat Cliburn de reïncarnatie van Rachmaninov zelf was, zo Russisch klonk zijn spel, zo onbegrijpelijk was het dat een Amerikaan ‘de subtiliteit van de Russische geest’ kon doorzien. Toen Cliburn een paar dagen later als toegift ook nog de Sovjet-smartlap ‘Moskouse nachten’ speelde, sloten de Russen hem in hun armen. Die liefde zou tot aan zijn dood in 2013 duren.

Het door Cliff beschreven jury-overleg leest bijna als een politieke thriller. Jurylid Svjastoslav Richter, de beroemdste pianist van de Sovjet-Unie, lag meteen al overhoop met zijn collega’s. Voor hem was Cliburn de absolute winnaar, omdat hij beter speelde dan Lev Vlassenko, de kampioen van de Sovjet-autoriteiten. Uit angst voor hen stapten de overige juryleden naar de minister van Cultuur, die op zijn beurt bij Chroesjtsjov belet vroeg. En Chroesjtsjov? Die steunde Richter en zei dat de beste moest winnen, ook al was dat een Amerikaan, omdat het concours anders aan prestige zou verliezen.

De Sovjet-leider nodigde de laureaat in het Kremlin uit om hem te feliciteren. Op zijn beurt zei Cliburn: ‘We moeten elkaar in het Spoetniktijdperk liefhebben.’ En juist dat softe geluid wekte de argwaan van het Witte Huis, waar sommige medewerkers meenden dat de Sovjet-Unie Cliburn voor hun propaganda wilde inzetten. Ook het feit dat Cliburn op het concertpodium dirigent Kiril Kondrasjin dankte door hem op de wangen en mond te zoenen, werd in het homofobe Washington gezien als onpatriottische – lees: ‘perverse’ – neigingen. Toen Cliburn bij zijn terugkeer in de Verenigde Staten zei dat hij zich wellicht diep in zijn hart een Rus voelde en dat de Russen ‘zijn mensen’ waren, maakte dat hem alleen maar nog meer verdacht.

Staatsbezoek

Telkens als een Sovjet-leider Washington bezocht, werd Cliburn uitgenodigd om te spelen, zo niet in het Witte Huis dan wel op de Russische ambassade. Dat laatste gebeurde ook tijdens het staatsbezoek van Chroesjtsjov in 1959, toen beide mannen elkaar weer hartelijk omhelsden. Enerzijds leidde die gebeurtenis ertoe dat de verdenkingen over Cliburns pro-Sovjethouding werden aangewakkerd, maar ook werd nu bij veel Amerikanen de indruk gewekt dat de Russische soep niet zo heet werd gegeten als ze werd opgediend.

Een verkoeling tussen Cliburn en de Sovjet-autoriteiten trad op nadat Chroesjtsjov in 1964 was afgezet. Toen president Nixon in 1973 op bezoek ging bij diens opvolger Brezjnev en Cliburn meenam voor een concert in de ambtswoning van de Amerikaanse ambassadeur, lieten de Sovjetleiders dan ook verstek gaan.

In 1978 gaf Cliburn zijn laatste concert. Op zijn 43ste ging hij met pensioen. Eindelijk was hij bevrijd van zijn zware concertverplichtingen. Met zijn minnaar en zijn moeder trok hij zich terug in Texas. Winkelen was een van zijn favoriete bezigheden.

Pas in december 1987 kon Cliburn zijn gave als vredesapostel nog één keer laten zien tijdens een topconferentie in Washington over een drastische vermindering van de voorraad lange-afstandsraketten. Het overleg tussen president Reagan en Sovjet-leider Gorbatsjov verliep moeizaam, totdat Cliburn in het Witte Huis optrad. Na afloop van zijn recital hield hij een korte toespraak, waarin hij zijn liefde voor het Russische volk en de Russische cultuur opnieuw betuigde. Toen de vrouw van Gorbatsjov hem bedankte en hem verzocht het Tsjaikovski-concert te spelen, kroop Cliburn opnieuw achter de piano en zong ‘Moskouse nachten’, waarop Gorbatsjov luidkeels inhaakte. Opnieuw brak het ijs tussen Washington en Moskou. De onderhandelingen verliepen hierna gesmeerd.

Cliff laat in zijn boek overtuigend zien hoe culturele uitwisseling, die tijdens de Koude Oorlog door zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie werd voortgezet, de diepste meningsverschillen wist te overbruggen. Los van het boeiende verhaal dat hij vertelt, is dat zijn belangrijkste boodschap. De huidige wereldleiders zouden er een voorbeeld aan kunnen nemen.