Recensie

Schrijnende opera over akelige Pinocchio

De Munt, Brussel

De Brusselse Munt heropende met een nieuwe opera van Philippe Boesmans. Pinocchio is een komisch-grimmige raamvertelling vol stijlcitaten, muzikaal eerder effectief dan vervoerend.

Foto Patrick Berger

Na twee jaar gingen dinsdagavond de deuren van de Brusselse Munt weer open. Het operahuis is grondig, zij het grotendeels onzichtbaar gerenoveerd: de toneeltoren is vernieuwd, er is airco en de doorgezakte roodfluwelen kuipstoeltjes zijn vervangen door op het oog identieke exemplaren die een stuk lekkerder zitten. In aanwezigheid van het Belgische koningspaar werd de heropening onderstreept met een nieuwe opera van Philippe Boesmans, Pinocchio, die afgelopen juli tijdens het Festival Aix-en-Provence in wereldpremière ging.

De 81-jarige Boesmans wordt vooral geliefd om zijn opera’s en is al sinds 1985 aan de Munt verbonden als huiscomponist. Brede bekendheid kreeg hij met zijn succesopera Reigen uit 1993, die nog regelmatig hernomen wordt. Pinocchio is Boesmans’ tweede samenwerking met schrijver Joël Pommerat, op wiens toneelbewerking de opera gebaseerd is en die bovendien tekende voor de regie. De claim dat dit de eerste Pinocchio-opera betreft is overigens onterecht – de Brit Jonathan Dove schreef er tien jaar geleden al een.

Het beroemdste ingrediënt van het Pinocchio-sprookje is ongetwijfeld de neus die groeit met ieder leugen. Uiteraard gaat ook de opera over het vraagstuk van de waarheid. Wat is echt? Wat is menselijkheid? Pommerat baseerde zijn toneeltekst op Collodi’s tamelijk grimmige origineel, gestript van Disney’s troetelbewerking. Pinocchio is een brutaal, balorig kereltje dat maar moeilijk weerstand kan bieden aan verleidingen en zo keer op keer in de problemen raakt.

Dat je toch met hem begaan bent, komt op conto van sopraan Chloé Briot. Zij geeft Pinocchio schitterend gestalte, zowel vocaal als dramatisch. Hij is een duister stipfiguurtje, met zijn witte gezicht en zwarte oogkassen, in een rode boksersbroek en badjas met capuchon. Zijn tics en grimassen wekken weerzin, maar zijn verlangen ‘een echt jongetje’ te zijn wordt er alleen maar schrijnender door. In dat verlangen wordt hij gesterkt door de fee, mooi vertolkt door coloratuursopraan Marie-Eve Munger.

Pinocchio is een feuilleton van anekdotes, zonder krachtige overkoepelende intrige. Dat de opera toch werkt is te danken aan de slimme raamvertelling. De directeur van een rondreizende theatergroep schotelt ons een reeks tableaux vivants voor, die hij duidt en becommentarieert en waarin hij een enkele keer zelf optreedt. Doordat hij identiek aan Pinocchio geschminkt is ontstaat een intrigerende verdubbeling – is hij de volwassen Pinocchio misschien? – die nergens benoemd of uitgespeld wordt. De kale scène met rokerige videoprojecties en uitgekiende belichting draagt bij aan de sfeer van stomme films en interbellumvariété.

Muzikaal is Pinocchio eerder effectief dan vervoerend, al speelde het solistisch bezette orkest (voor een ‘meer briljante’ klank, aldus de componist) naar behoren. Boesmans put graag uit de muziekgeschiedenis en de carrousel van (stijl)citaten – nachtclubjazz, operapastiche – past het episodische karakter van de vertelling. De karakters zijn goed getroffen, zoals de goeiige arme vader en het komische oplichtersduo. Daarnaast is er veel klankschildering: een kettingzaag, vogeltjes, Pinocchio’s nervositeit, de boosheid van de fee wanneer hij liegt. Maar de opera ontbeert een duidelijk muzikaal profiel en blijft het een beetje toneelmuziek.

Goed gevonden is het virtuoze zigeunermuziektrio dat over het podium zwerft; hun klaagzang wanneer Pinocchio wegkwijnt in de gevangenis vormt een hoogtepunt.