Column

Netjes aangiftes opnemen, dát is waakzaam en dienstbaar

Een recent rapport adviseert de politie om van eenvoudige delicten geen aangifte meer op te nemen. Zowel de opzet als de uitkomst van het rapport rammelt aan alle kanten.

Beleidsonderzoek is vaak weinig onderzoek en veel beleid, vooral van het soort dat de bazen graag zien. Zo ook het rapport van de Politieacademie dat deze zomer de krantenkoppen haalde. De boodschap was dat plegers van veelvoorkomende criminaliteit sukkels en patiënten zijn en dat het weinig zin heeft als de politie aangiftes tegen hen opneemt. Zulke aangiftes zouden „onnodig” zijn. Slachtoffers zouden ook helemaal niet zitten te wachten op strafrechtelijke vervolging van de daders. Daarom geen aangiftes meer bij eenvoudige criminaliteit; dan hebben dienders meer tijd voor zaken die er echt toe doen, adviseren de auteurs.

Hun rapport heet Betekenisvol handelen: politiewerk vanuit de bedoeling. Die titel is exemplarisch voor de stijl van de auteurs. Er wordt op ruime schaal gefocust, informatie geborgd, duurzaam verbeterd en er zijn veel feitelijke situaties en totaalplaatjes. Maar dat is meer voor de afdeling jeukwoorden waarover in deze krant Japke-d. Bouma gaat. Wat mij bezighoudt, is de aanpak van de auteurs. Als ik het goed begrijp, hebben ze enkele tientallen gevallen van veelvoorkomende criminaliteit onder de loep genomen en daarbij ook gesproken met slachtoffers die aangifte deden. Hoeveel gesprekken het precies waren en welke vragen er dan zoal werden gesteld, is me niet duidelijk geworden. Dat de steekproef aan de dwergachtige kant was, staat wel vast als je bedenkt dat in ons land het aantal delicten op vier miljoen per jaar wordt geschat. Daarvan belandt nog geen kwart op het bureau van de politie. Nogal wat burgers kiezen er blijkbaar voor om geen aangifte te doen van strafbare feiten. Wanneer je als onderzoeker wilt weten wat mensen verwachten van aangifte doen, is het een kwestie van dwingende logica dat je in elk geval ook spreekt met slachtoffers die de gang naar het politiebureau niet maken.

Wat me het meest frappeert aan Betekenisvol handelen is de institutionele eenkennigheid die eruit spreekt. Alsof er geen wetenschappelijke literatuur over het onderwerp bestaat. Alsof pioniers van de Politieacademie een onontgonnen onderzoeksterrein zijn binnengetrokken. Zo stellen de auteurs dat het „in de meeste gevallen van veelvoorkomende criminaliteit niet om vooropgezette, doelbewuste criminaliteit gaat.” Het is een absurde bewering in het licht van alles wat economen hebben geschreven over criminele verdienmodellen. Hun onderzoek maakt duidelijk dat veel criminele takken van sport profijtelijk zijn. Zo lang natuurlijk de revenuen groot en de pakkansen laag blijven.

Die pakkans is, om in de sfeer van het rapport te blijven, wel nog een dingetje. Een criminele entrepreneur kan die pakkans niet zien, hij moet er een inschatting van maken. De broken windows theory van de Amerikaanse criminologen Kelling en Wilson legt uit waarom zo’n inschatting afhangt van de omgeving. In een stad waar kapotte ramen niet langer worden hersteld, afval over straat zwerft, graffiti de muren bedekt en straatberovingen aan de orde van de dag zijn, zal zo’n schatting laag uitvallen. De verloedering – kapotte ramen staan er symbool voor, vandaar de naam van de theorie – duidt op gebrek aan normhandhaving.

‘Eenvoudige mishandeling’ is politiejargon voor het geval van een vrouw die door haar ex wordt belaagd

Vanuit deze theorie geredeneerd, is het riskant om veelvoorkomende criminaliteit niet langer in aangiftes op te nemen. Het moedigt onverschilligheid aan. Het vertelt criminele debutanten dat de kosten-batenanalyse gunstig uitvalt en dat ze hun gang kunnen gaan. Het is een ijzeren wet dat de meest bekwamen onder hen zullen uitgroeien tot sleutelfiguren in de serieuze misdaad van morgen.

De schrijvers van Betekenisvol handelen hadden zich best de vraag mogen stellen die elke verstandige beleidswetenschapper dient te beantwoorden: wat zijn de ongewenste bijwerkingen van de maatregelen die ik propageer? Daarvoor hadden de auteurs hun inspiratie kunnen opdoen bij de wetenschappelijke literatuur, die over broken windows voorop.

Te veel gevraagd? Dan zijn er nog altijd Nederlandse voorbeelden. Zo is er dat rapport van de hoogleraar criminologie Cyrille Fijnaut en zijn collega’s uit 2003 over de criminaliteit in Tilburg (De sociale onveiligheid in Tilburg). De onderzoekers geven een vlijmscherpe analyse van het probleem en presenteren bovendien een blauwdruk van hoe daar met coherent beleid iets aan valt te doen, namelijk door dagdagelijks opsporing hand in hand te laten gaan met scholing, hulpverlening en sociale controle. De inzet ervan is verhinderen dat jonge delinquenten uitgroeien tot beroepscriminelen. Het vereist wel, schrijven Fijnaut c.s., dat aangevers serieus worden genomen, want pas dan krijg je zicht op aard en omvang van het veiligheidsprobleem. Ergens in de bureauladen van de Politieacademie zal dat rapport van Fijnaut en collega’s vast te vinden zijn.

‘Waakzaam en dienstbaar’ luidt nog altijd de wapenspreuk van onze politie. Dát, zou ik denken, definieert „politiewerk vanuit de bedoeling” afdoende. Dus netjes opnemen die aangiftes. Ook al betreft het, om een voorbeeld uit het rapport te noemen, „eenvoudige mishandeling”, politiejargon voor het geval van een vrouw die door haar ex stelselmatig wordt belaagd, geïntimideerd en mishandeld.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de universiteit van Maastricht