Column

Magere hoop in bange dagen

Michel Krielaars

Aan de vooravond van het nieuwe boekenseizoen liep ik gehaast de Amsterdamse kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae binnen in de veronderstelling dat ik er moest vergaderen en ik te laat was. Maar ik bleek me een week te hebben vergist. De sociëteit was leeg, op een man aan een tafeltje na. Toen hij een hap van zijn tosti nam, herkende ik in hem de onlangs gepensioneerde uitgever A. Zijn gekreukte jasje had hij verruild voor een versleten T-shirt, dat hem iets jongensachtigs gaf.

Ik vroeg hem hoe het Zwitserlevenbestaan hem verging. „Ik begeleid nog altijd auteurs”, antwoordde hij tevreden, en hij noemde een paar beroemde schrijvers, om eraan toe te voegen dat vergeleken met een paar jaar geleden hun boeken behoorlijk slecht verkochten.

Toen ik opmerkte dat de belangenorganisatie voor het Nederlandse boek onlangs een stijging van de verkoopcijfers had gemeld, antwoordde hij dat dit niet gold voor de serieuze literatuur en non-fictie. „Hoogstens gaat het op voor de Astrid Holleeders en de voetbalboeken. Maar geen uitgever zal het bevestigen, omdat zoiets contraproductief werkt.”

Over de oorzaak van die neergang was A. stellig: „De intellectuelen in Nederland hebben hun boekenkasten weg laten halen om een groot tv-scherm aan de muur te hangen. In plaats van te lezen, kijken ze naar Netflix.”

Met die woorden in mijn achterhoofd verdiepte ik me die avond in het nieuwe boekenseizoen, dat inmiddels op de Uitmarkt was geopend. Ineens viel me op dat de aanbiedingscatalogi van de uitgeverijen aanmerkelijk dunner waren dan een jaar geleden. Worden er dit najaar 251 fictie-titels uitgegeven, in 2016 waren dat er 298. Een verschil van 47 titels dus.

Toch kon ik er niet wakker van liggen, omdat er de afgelopen jaren eerder te veel dan te weinig boeken zijn gepubliceerd en goede literatuur altijd wel een publiek weet te vinden. Maar wat had gentleman-uitgever Theo Sontrop, die in het afgelopen weekeinde op Vlieland op hoge leeftijd overleed, het toch makkelijk. Want in zijn glorietijd, de gouden jaren zeventig en tachtig, lagen grote, buitenlandse schrijvers voor het oprapen en was er amper concurrentie. Uitgevers maakten zich toen geen zorgen. Voor hun omzet moesten ze het hebben van coryfeeën als W.F. Hermans, Simon Carmiggelt, Gerard Reve, Jan Wolkers, Hugo Claus en Maarten ’t Hart. Terwijl ze zich nu vaak directeuren van een wankelend hedge fund moeten voelen.

Van de 251 nieuwe romans en verhalenbundels die de komende maanden verschijnen, zijn er 108 van de hand van Nederlandstalige en 143 van die van buitenlandse schrijvers. Vijf procent van die Nederlandse schrijvers heeft bovendien een migratie-achtergrond dankzij familie uit Noord-Afrika, Turkije of Oost-Europa. Misschien moeten uitgevers het van hen de komende jaren wel hebben. Al was het maar omdat ze met verhalen komen over onbekende werelden, die door sommigen als bedreigend worden ervaren. En dan wacht ik ook nog op een nieuwe Louis-Ferdinand Céline, die de stem van de onderbuik laat klinken.

Literatuurliefhebbers en uitgevers hebben in deze spannende tijden van Trump, Noord-Korea en IS dan ook niets te vrezen, ook al wordt hun speelveld kleinschaliger. Tegen een goed boek kan Netflix tenslotte nooit op.