Jeroen Wollaars: ‘Ik was misschien wel de allergrootste softie’

De eerste baan

Jeroen Wollaars (39) is correspondent Duitsland voor het NOS Journaal. Op zijn veertiende poetste hij de treinen in het Spoorwegmuseum.

Foto Daan Brand

Wie Jeroen Wollaars weleens met een microfoon in de ene hand, een oortje in de andere hand in het Achtuurjournaal voorbij ziet komen, weet: Wollaars wordt enthousiast wanneer er iets aan de hand is. Wanneer er iets mis is, zo je wil – al is geen van tweeën vandaag het geval. En toch zijn drie bescheiden minuten met de persvoorlichter van het Spoorwegmuseum genoeg om beide heren in schaterlachen te doen uitbarsten. De eerste werkt er nu bijna tien jaar, Wollaars had er vijfentwintig jaar geleden een baantje. Maar beiden kennen manager Cees Camfferman nog.

Jeroen! Wat heb jij god-ver-domme gedaan?

Treinseksueel

„Cees vond mij onverantwoordelijk”, zegt Wollaars nog steeds licht gekrenkt. Cees was een kennis van zijn ouders en Cees vond het wel een goed idee als Wollaars een zomer in het Spoorwegmuseum zou komen werken. Na die zomer werden dat ook de weekenden en de schoolvakanties erna, en zo begaf Wollaars zich ineens dagenlang tussen de ‘treinseksuelen’. „Dat zijn mensen die, hoe zeg je dat… Wel erg veel van treinen houden.” Cees, die zelf in een huisje naast het museum woonde, kapittelde de werkstudenten tussen de bedrijven door.

„Ik heb het een keer in mijn hoofd gehaald plexiglas met een schuursponsje schoon te maken”, zegt Wollaars terwijl hij zichzelf met enige twijfel in zijn ogen bovenop een antieke locomotief worstelt. „Dat werd dus een vlek.” En dan wist je dat Camfferman er als de kippen bij was: „Jeroen! Wat heb jij god-ver-domme gedaan?”

Foto Daan Brand

Mini-maatschappij

In het Spoorwegmuseum werden allerlei klusjes door scholieren en alternatief gestraften („mensen met een taakstraf”) gedaan. Samen poetsten ze het koper van de treinen en boenden ze de ruiten – degenen met een taakstraf niet zelden al blowend. „Ik was misschien wel de allergrootste softie”, lacht Wollaars. Daarom moest Cees hem ook altijd hebben, denkt hij achteraf. „Cees wilde ons echt iets meegeven. Hij wilde van de jongens mannen maken.” Of hem dat is gelukt? „Nou, ik ben wel een stuk handiger geworden. Plexiglas schuur ik niet meer.”

Inmiddels hangt Wollaars nog net niet ondersteboven aan het dak van de oude locomotief. „Er komt hier toch zowaar een treinseksueel in me naar boven”, schampert hij. Het was een soort mini-maatschappij, dat museum. „Dat had die Cees wel goed gezien.” Wat Cees bovendien goed zag, was dat Wollaars altijd denkt dat hij iets heel goed kan, zelfs al heeft hij het nog nooit gedaan. „En dus kreeg ik mooi niet de verantwoordelijkheid over een trein met dertig kleuters.” Stak dat? „Ja, eigenlijk wel een beetje. Het maakte me bewuster van mijn houding.”

Lees ook ‘De eerste baan’ van vorige week: ‘Kennelijk besteden rijke mensen hun geld niet aan taart’

Toch heeft die houding Wollaars nooit echt windeieren gelegd. Sterker nog: misschien heeft hij dat beetje adrenaline wel nodig, net zoals hij eigenlijk nooit langer dan een halve dag stil kan zitten. „Mijn redactiegenoot stuurt me altijd naar huis als er te lang niets gebeurt, dan wordt ze gek van me. Ga ik zingen en zo.” Slechts één keer dacht hij bijna een burn-out te hebben. Wollaars’ telefoon bleef maar in zijn borstzak trillen, totdat hij erachter kwam helemaal geen borstzak te hebben. „Maar dan weet ik mezelf gelukkig ook wel snel een halt toe te roepen.”