Recensie

Geen liefde, maar wel zielsverbonden

Thomas Verbogt

Ook zijn nieuwe roman is een ‘vertrouwde’ Verbogt. Over tijd, de glibberigheid van geluk en de liefde. Maar hij weet de lezer te verrassen met het slot.

Wat is kitsch? Het woordenboek in mijn computer houdt het op ‘iets dat pretendeert kunst te zijn, maar dat onecht of overdreven sentimenteel is’. Ik merk zelf dat het woord me vaak te binnen schiet als de schrijver er een soort lege, weekmakende levenslessen in verwerkt. Je kunt het vaak al aan een enkele pagina zien. Er wordt niet meer geschreven, er wordt zijig gerefereerd aan zaken als ‘het leven’, ‘geluk’ of ‘momenten van’. Ik heb in zo’n geval meteen zin om het boek in kwestie linea recta terzijde te leggen.

In de meeste gevallen dan. Want Thomas Verbogt (1952) schrijft romans die vol staan met zulke grote, ietwat etherische woorden. Hij is net zo goed beschouwer als beschrijver en voortdurend is daar die techniek van in- en uitzoomen: er is een handeling en kort daarna volgt de bespiegeling daarop, als iemand die even zijn teen in het badwater dompelt en dan, aan zichzelf, rapport uitbrengt over de hittegraad ervan.

Het is vaak te koud bij Verbogt. Of te heet. En het lastige is dat het geluk, waar in zijn romans zo naarstig naar wordt gezocht, zich ergens tussen dat hete of koude in bevindt. Of was het daarnet toch perfect op temperatuur en is men te laat? In het voor de Librisprijs geshortliste Als de winter voorbij is (2015) was dát bijvoorbeeld het geval: jongen durft meisje niet te vertellen wat hij voor haar voelt, waarna het meisje verongelukt en de jongen onthutst en met een mond vol meel achterblijft.

Maar goed, de kwestie-kitsch dus. Voor de duidelijkheid: Verbogt schrijft of bedrijft het niet. Hij zet de handelingen zo goed neer dat je de woorden die er op volgen zonder tegenstribbelen tot je neemt. Maar wie die contemplatieve woorden citeert doet het geheel tekort. ‘Misschien is de dood de zachtmoedigste gebeurtenis in ons leven, niet de beste, nee, zo erg is het leven echt niet. Als je dat wel denkt, heb je van je leven een mislukking gemaakt of heb je toegestaan dat het leven er een van jou maakte.’ Zo losgeweekt vind ik dit een overzoete zin. Maar binnen het corpus van Hoe alles moest beginnen, Verbogts nieuwste, is dit een volstrekt acceptabele opmerking.

Dat heeft alles te maken met de mensen die hij er in heeft neergezet, die sensitief, opmerkzaam en een beetje bedremmeld zijn. Ze heten Thomas en Licia, en ze maken samen een jeugd door die zich in een vacuüm lijkt te voltrekken. School is er, maar ze lijken er dermate gladjes doorheen te rollen dat er amper woorden aan vuil worden gemaakt. Andere vriendjes of vriendinnetjes dan? Er wordt geen melding van gemaakt. Thomas’ ouders lijken de eigengereidheid van hun zoon niet helemaal te begrijpen; Licia is zijn enige medestander. In feite droomt het tweetal zich door de dagen heen.

Dat dit een broos verbond is blijkt als Licia op haar twaalfde verhuist. We lezen een hoofdstuk dat de videoclip van Wereld zonder jou van Marco Borsato en Trijntje Oosterhuis in herinnering brengt, met een zij die langzaam maar zeker uit het zicht verdwijnt en een hij die het allemaal te machtig wordt. Nogmaals: in de handen van Verbogt is dit geen kitsch.

Thomas’ leven neemt daarna een aanvang, maar telkens, en hiermee komen we aan bij de structuur van de roman, keert hij terug naar Licia: op zijn 21ste, zijn ‘bijna veertigste’ en zijn drieënzestigste treffen ze elkaar. Dat is de juiste constructie: ze zijn zich allebei bewust van een soort zielsverbondenheid, maar van een vriendschap, laat staan een liefdesrelatie, komt het niet. En toch, zo deelt Thomas mede, er ‘is iets’ met Licia.

Het gegeven van het toeval

Je krijgt met deze Verbogt de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over de glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde. Dat is, zoals altijd bij hem zou ik bijna zeggen, prachtig gedaan. Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer, zoals sommige schrijvers beweren, dan zit je bij Verbogt geramd. Je voelt je al snel bevoorrecht door zijn omgang met Thomas, die – en dat staat volledig haaks op ons gejaagde tijdsgewricht en die vermaledijde voorkeur voor dat raadselachtige ‘nu’ (wen er nou eens aan, we zijn geen dieren) – weinig zin heeft om alle indrukken en herinneringen zomaar te negeren. Hij is een drager van tijd; in zijn denken, in zijn afwegingen, in de spaarzame beslissingen die hij maakt.

Maar er is iets nieuws met deze Verbogt aan de hand, iets dat te maken heeft met het gegeven van het toeval. Betrekken we dit woord op de literatuur, op de compositie van een narratief kunstwerk, dan kun je denken aan de mussen van Hermans of het pistool van Tsjechov, metaforen om hetzelfde te zeggen, namelijk dat in een geslaagd verhaal niets zomaar gebeurt. Welnu. Lange tijd lijkt het alsof die Licia-figuur de leidraad van de roman is. Tegen het eind verdwijnt ze echter uit beeld en begint het narratief wat te rafelen; de nadruk ligt nu op de verhouding tussen Thomas en zijn ouders. En dan komt Licia nog eenmaal ten tonele om in één beweging alles op z’n kop te zetten. Veel is hetzelfde in een Verbogt, veel is vertrouwd, maar dit is iets nieuws.