Een echte Mondriaan - of toch niet?

Kunstvervalsing

Mondriaanbiograaf Léon Hanssen herontdekte een werk van Piet Mondriaan én ontmaskerde het als een vervalsing. „Je ziet het pas als je het doorhebt, om met Cruijff te spreken.” Een voorpublicatie.

Originele foto van het ‘Kabinett der Abstrakten’ in het Provinzialmuseum in Hannover omstreeks 1930. Rechtsboven: Mondriaans ‘Compositie’ uit 1923 Foto Hannover, Sprengel Museum

Voor de Vlaamse radiozender Klara zou ik vorig jaar februari de overzichtstentoonstelling van Theo van Doesburg bespreken, in het Brusselse museum Bozar. Wie schetste mijn verbazing toen ik op de opening een verloren gewaand schilderij van Piet Mondriaan zag hangen? In de begeleidende catalogus stond het doek afgebeeld als ‘Zonder titel, 1923. Privé-collectie, Zwitserland’. Maar niet getwijfeld: dit was het schilderij dat omstreeks 1930 furore maakte in het Kabinett der Abstrakten in Hannover. Het schilderij dat in 1937 hing op de nazi-expositie van Entartete Kunst in München. Het schilderij ook dat daarna was terechtgekomen in een magazijn in Berlijn, waar het waarschijnlijk met duizenden andere zogenaamd gedegenereerde kunstwerken ten offer viel aan geallieerde bombardementen.

Nondeju, een meesterwerk met een iconische herkomstgeschiedenis was terecht.

Ik inspecteerde het schilderij zo zorgvuldig als mijn opwinding en het spiegelglas van de baklijst toelieten. En ik sprak meteen de verantwoordelijke conservator van Bozar aan. Die vertelde dat het schilderij geleend was van het Stedelijk Museum Amsterdam. Het Stedelijk had de Mondriaan in bruikleen gekregen uit een Zwitserse privécollectie, het moest de hoofdattractie worden van de Amsterdamse bijdrage aan het Stijl-jaar 2017. Bozar had het schilderij mogen lenen, als het de kosten van de restauratie op zich wilde nemen.

De volgende dag stuurde ik een mailtje aan Bart Rutten, destijds de verantwoordelijke hoofdconservator van het Stedelijk. Wist hij wel wat voor exceptioneel kunstwerk het hier betrof? En was ik de eerste die hem hierop attendeerde?

Op de laatste vraag antwoordde Rutten bevestigend. Hij vroeg me mijn vondst nog niet wereldkundig te maken. Het Stedelijk hechtte veel belang aan een ‘zuivere’ herkomst. Omdat ik mijn ontdekking bij het museum had gerapporteerd, en omdat ik bovendien met mijn biografie van Mondriaan van verstand van zaken blijk had gegeven , vroeg Rutten of ik de eigendomsgeschiedenis van het doek wilde onderzoeken.

Ik heb geen verhaal, ik heb het schilderij, and that’s all.

Rutten stelde me over de herkomst gerust. Hij had de Zwitserse eigenaar, een geslaagd zakenman, al bezocht. De man had toen met een stapel documenten gewapperd, die zouden aantonen dat het schilderij in de jaren zestig of zeventig ergens in de Sovjet-Unie tevoorschijn was gekomen. De ouders van de huidige bezitter, joodse overlevenden van de holocaust, waren gerenommeerde kunsthandelaren geweest.

Nee, waar Rutten zich meer zorgen over maakte , was dat het schilderij in de salon van de Zwitserse villa dag in dag uit aan het volle zonlicht bloot was gesteld. Het werd de hoogste tijd dat het doek naar een museum zou verhuizen, ook al was het vooralsnog slechts als bruikleen.

Enige tijd later keek ik met ingehouden adem toe hoe een medewerkster van het Stedelijk in Amsterdam het schilderij uit de baklijst bevrijdde.

Het linnen leek zo kwetsbaar dat je er bij wijze van spreken alleen al met je blik een scheur in kon veroorzaken. Het spieraam was scheef getrokken en het doek zat onder een geelbruine aanslag, alsof het jarenlang in een vertrek had gehangen waar zwaar gerookt is. Wat was er in al die jaren met het schilderij gebeurd?

250 Reichsmark

In december 1924 kocht het Provinzial-Museum in Hannover het schilderij voor 250 Reichsmark. Het was het eerste schilderij van Mondriaan dat in een openbare Duitse collectie terechtkwam. De kunstenaar was zo blij met de verkoop dat hij op één been door zijn atelier heeft gehupt, schreef een vriendin.

Het schilderij kwam in het museum te hangen in het ‘Kabinett der Abstrakten’, dat in 1928 naar ontwerp van de Russische kunstenaar El Lissitzky werd ingericht.

Na de machtsovername van Hitler in 1933 kwam het artistieke beleid van het museum in Hannover zwaar onder vuur te liggen. In 1937 werd het Kabinett der Abstrakten door de nazi’s in het kader van hun actie tegen ‘ontaarde kunst’ ontmanteld en werden zo’n 270 schilderijen uit de museumcollectie geconfisqueerd, waaronder Mondriaans schilderij. Het werd tentoongesteld op de geruchtmakende vlootschouw van Entartete Kunst in München, die van juli tot november 1937 ruim twee miljoen bezoekers trok.

De tentoonstelling ‘Entartete Kunst’ in München, 1937. Onderaan Mondriaans ‘Compositie’.
Foto Arthur Grimm/Zentralarchiv Berlijn

Na de tentoonstelling verdween het schilderij met zestienduizend andere geconfisqueerde werken naar een opslag in Berlijn-Kreuzberg. Een als onverkoopbaar bestempeld gedeelte werd in maart 1939 in opdracht van propagandaminister Joseph Goebbels vrijgegeven voor massale verbranding. De rest werd opgeslagen in een kelder van het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda . Volgens een inventaris van het Reichsministerium, die omtrent 1941/1942 is opgemaakt, bevond zich in deze collectie ook het schilderij van Mondriaan.

Wat er precies is gebeurd met de Entartete Kunst in het magazijn van het Reichsministerium blijft een raadsel. Door de Russen als oorlogsbuit meegevoerd naar het oosten? Vernietigd als gevolg van ‘Kriegseinwirkung’? Geplunderd en in verstrooiing geraakt? Of is dit allemaal gebeurd?

Aan het meer van Zürich

Op een donderdagochtend in juli 2016 ontmoette ik de eigenaar van het schilderij in zijn door Le Corbusier ontworpen witte villa, in een klein plaatsje aan het meer van Zürich.

Ik kreeg een rondleiding langs de kunstvoorwerpen in huis. Afrikaanse etnografische objecten. Abstracte en magisch-realistische Sovjetkunst uit de jaren zestig. Daarna zaten we in de salon waar zich boven de haard een lege plek op de wand aftekende. De eigenaar: „Daar heeft twintig jaar lang de Mondriaan gehangen. En hij zou er nog hebben gehangen als Beatrix Ruf ons niet had gevraagd of hij niet naar het Stedelijk zou kunnen komen.” De directrice van het Stedelijk bleek een goede vriendin.

Welgemeend schetste ik de bekoring van het doek. Een schilderij dat de hoogste pieken en diepste dalen van de twintigste-eeuwse kunstgeschiedenis had gepasseerd. Het was de vondst van de eeuw, zeker waar het deze kunstenaar betreft, en het moest wel een megamarktwaarde vertegenwoordigen. Het duurste werk van Mondriaan tot dusver, een schilderij uit 1929 recentelijk geveild voor 44 miljoen euro, zou er wel eens bij in het niet kunnen vallen.

Hoe was het werk in vredesnaam in zijn handen gekomen? De Zwitser stond op om de papieren te halen die de herkomst moesten documenteren: het bleken drie, vier velletjes papier, computerprints van Wikipedia-artikelen.

„Ik heb geen verhaal”, zei hij terwijl hij in zijn zetel terugzakte, „ik heb het schilderij, and that’s all.” Vervolgens legde hij uit hoe hij het werk zo’n twintig jaar geleden van een bankroete ondernemer tegen een „schertsprijs” had gekocht. Het kwam van een zolder vandaan, waar het schilderij tussen allerlei andere werken, waarvan hij zich de bijzonderheden nu niet meer kon herinneren, stond opgeslagen. En nee, een aankoopbewijs had hij niet en de naam van de vorige eigenaar moest hij helaas voor zich houden, daarvoor had hij getekend in een schriftelijke verklaring aan dezelfde man.

Terug in Nederland probeerde ik te bedenken hoe het kunstwerk midden in de Tweede Wereldoorlog van het geteisterde Berlijn zijn weg had kunnen vinden naar Zwitserland, destijds een vluchtplaats en doorvoerhaven voor oorlogsschatten uit het Derde Rijk.

Even werd ik bezocht door twijfel, toen ik constateerde dat er zich op de achterkant van het spieraam van de Mondriaan helemaal geen etiketten bevonden. Die hadden er wel moeten zitten: op zijn minst een etiket van het Provinzial-Museum in Hannover en een etiket van de Entartete Kunst-actie. Aangezien die er niet waren, schreef ik op 26 augustus 2016 in een mail aan het Stedelijk Museum dat we nu toch ook serieus de authenticiteit van het schilderij aan een kritisch onderzoek zouden moeten onderwerpen. Hoofdconservator Bart Rutten wuifde mijn scrupules bij een volgend bezoek weg.

Toen ik, bij nadere inspectie van het oude, donkere lattenwerk, mogelijke sporen van lijm- of plakresten meende waar te nemen (deze bevinding werd nadien door röntgenopnamen van het werk bevestigd), stelde dit mij gerust. Bovendien bleek uit de literatuur over Entartete Kunst dat het inderdaad kon voorkomen dat etiketten door handelaren waren verwijderd om de problematische herkomst van een kunstwerk te verdoezelen.

Ik ontmoette de eigenaar van het schilderij en zijn vrouw nog twee keer in het Stedelijk Museum. Ook bezocht ik hen in de herfst nog een keer in Zwitserland. Ik drukte hun telkens weer op het hart dat het schilderij zonder een deugdelijke documentatie van de eigendomsgeschiedenis onmogelijk in aanmerking zou kunnen komen voor expositie in een internationaal gerespecteerd kunstmuseum, en sterker nog, dat het ook praktisch onmogelijk zou zijn het op een legitieme manier op de kunstmarkt te brengen.

Lastige vragen

Bij mijn tweede bezoek kwam de eigenaar, geconfronteerd met mijn lastige vragen, ineens met een nieuwe versie van de gebeurtenissen. Er was helemaal geen failliete ondernemer geweest, dat was een beetje een verzonnen verhaal geweest. Nee, hij had het schilderij cash van een kleine kunsthandelaar uit Bazel gekocht. Deze persoon was nog in leven, en hij zou de komende weken alles in het werk stellen om van hem een verklaring te krijgen over de herkomst van het werk.

Piet Mondriaan met de ‘Compositie’ en Nelly van Moorsel, de toekomstige vrouw van Theo van Doesburg, 1923. Foto archief Joop M. Joosten/’s-Gravenhage, RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis

In december 2016, zo’n tien maanden nadat ik het schilderij voor het eerst had gezien, kwam het verlossende woord. De kunsthandelaar in kwestie, inderdaad een heel kleine speler op de markt, had een verklaring op papier gesteld. Daarin verklaarde hij dat hij het schilderij ‘Toegeschreven aan Piet Mondriaan’ in de jaren negentig van de heer ** uit Sissach/Bazel had gekocht. Deze man had het werk weer uit eigen familiebezit, de familie van Georg Schmidt, de kunsthistoricus en voormalig directeur van het Kunstmuseum Basel.

Ik vond het wat vreemd dat er stond ‘Toegeschreven aan Piet Mondriaan’, maar kon me voorstellen dat dit zo was geformuleerd in het kader van het wat obscure karakter van de transactie. Maar verder schiep de verklaring duidelijkheid over de herkomst.

Georg Schmidt, zo wist ik, had als nieuwe directeur van het Kunstmuseum Basel in 1939-1940 voor zijn museum tegen uitzonderlijk, zo niet beschamend lage prijzen belangrijke aankopen uit het arsenaal aan Entartete Kunst gedaan. De regering van het kanton Bazel-stad had Schmidt daartoe een krediet van 50.000 Zwitserse franken verstrekt. Schmidt wist van de hoed en de rand als het ging om de vruchten van Hitlers radicale zuiveringsactie. Bovendien was hij een verklaard liefhebber en kenner van het werk van Mondriaan. Lag het dan niet voor de hand dat Schmidt een werk van deze kunstenaar voor zijn eigen woning had aangeschaft?

Maar tegelijkertijd rezen er vragen. Waarom had Schmidt uitgerekend dit schilderij uit 1923 niet opgenomen in de oeuvrecatalogus van Mondriaan waaraan hij had meegewerkt? En hoe had Schmidt, een rechtschapen mens, het voor zichzelf kunnen goedpraten dat hij, als museumdirecteur, dit schilderij uitsluitend voor eigen genot bewaarde?

In de daaropvolgende weken wist ik contact te leggen met een kleindochter van Schmidt. Zij wist me ervan te overtuigen dat haar grootvader nimmer een schilderij van Mondriaan in zijn bezit heeft gehad.

Toen ook nog eens bleek dat de zogenaamde erfgenaam van Schmidt, een naamgenoot weliswaar, in de verste verte geen familie van hem was en dat de man bovendien gerapporteerd stond als een handelaar in vervalste kunst, confronteerde ik alle betrokken partijen met mijn ernstige bedenkingen. Er was duidelijk iets niet in de haak.

Restauratrice

De door het Stedelijk Museum ingeschakelde restauratrice beloofde me het schilderij aan een inspectie te onderwerpen aan de hand van foto’s van het originele schilderij. Enkele dagen later kreeg ik een WhatsApp-bericht van haar: of ze me even kon spreken? Haar eerste woorden toen ik haar belde: „Léon, ik vrees dat er helemaal niets van klopt…”

 
Foto Léon Hanssen en foto Hannover/Niedersächsisches Landesmuseum

Ik moest haar op basis van haar uitleg meteen gelijk geven. Je ziet het pas als je het doorhebt, om met Cruijff te spreken. De zwarte lijnen op het originele schilderij lopen net een fractie anders dan op het teruggevonden werk. De signatuur ‘PM 23’ is substantieel naar rechts verschoven en staat nu niet meer in een grijs vlak, zoals bij het oorspronkelijke werk, maar in een roodgekleurd vlak. Het verraad van de beelden was zo bedrieglijk geweest, dat wij een jaar lang in een wonder hadden geloofd.

Het toeval wilde dat het Zwitserse echtpaar een week later naar Nederland zou komen om zich op de hoogte te stellen van de inmiddels afgeronde restauratie en om de besprekingen van de bruikleen af te ronden. Het Stedelijk Museum moest tot zijn spijt voor de bruikleen bedanken omdat er onvoldoende zekerheid was dat dit wel het schilderij was waarvoor het gehouden werd. Mogelijk hangt het werk nu weer boven de open haard in de villa aan het meer van Zürich.