Recensie

De memoir over kanker die alle andere overtreft

Nina Riggs

Nu weten we het wel met de memoires van kankerpatiënten. Tenzij de patiënt Nina Riggs heet. Zij schreef over het enige wat er echt toe doet: het leven.

Claudia Helmons’ beterschapskaarten. Foto Arie Kievit/Hollandse Hoogte

Hè nee. Niet weer een boek van iemand die kanker heeft en mogelijk niet lang meer zal leven. Niet eens ‘mogelijk’. Op de achterflap staat duidelijk dat het al gebeurd is: Nina Riggs (1977-2017). Docente creative writing. De schrijver Ralph Waldo Emerson is haar betbetovergrootvader. Ze dicht zelf ook. En ze heeft dus kanker, triple negatieve borstkanker, een soort kanker die niet reageert op hormoonbehandelingen en ook niet op een bepaalde eiwitbehandeling. Dat betekent niet dat deze vorm onbehandelbaar is. Maar agressief, zo zeg je dat nu eenmaal als het over kanker gaat, alsof die cellen werkelijk een karakter, misschien zelfs een persoonlijkheid hebben – agressief is hij wel.

Geen zin dus in weer zo’n boek, gebaseerd op het blog dat Riggs bijhield – ja, wie niet. Zo eindeloos interessant is het niet van een onbekende te horen over chemo, doktersgesprekken, wanhoop, pijn, vermoeidheid, de dappere pogingen om er toch iets van te maken.

Ovenschoteltrutten

Maar, het moet gezegd: tenzij die onbekende Nina Riggs is. Ze heeft een vriendin die, behalve óók triple negatieve borstkanker, een bijna gemeen gevoel voor humor heeft en samen met Nina bedankkaartjes verzint voor de zogenaamde ‘ovenschoteltrutten’, belangstellende nieuwsgierigen met sentimentele goede bedoelingen: ‘Bedankt voor de bloemen. Ik hoop dat ze eerder doodgaan dan ik.’

Maar dan ben je al een eindje in het boek. Erin gezogen door Riggs stijl, timing, springerigheid, lichtheid. Ze grossiert niet in nieuwe wijsheden omdat ze doodgaat en doet evenmin dramatisch. Zelfs zelfmedelijden, toch wel toegestaan als je nog geen veertig bent en sterven moet, weet ze vrijwel volledig buiten de tekst te houden. Haar moeder, die al acht jaar lijdt aan een ongeneeslijke kanker, zegt geregeld ‘doodgaan is niet het einde van de wereld’, schrijft Riggs. Ineens begrijpt ze wat haar moeder daarmee bedoelt. Iets heel eenvoudigs: namelijk dat alles gewoon doorgaat. Kinderen leren fietsen, boodschappen doen, een uitje met het gezin, een rothumeur hebben, moeder sterft, een pruik kopen, kind is jarig, nieuwe bank kiezen, vakantie met vrienden, enzovoort. De wereld staat niet stil.

Riggs houdt van Montaigne en gebruikt geregeld citaten van hem om haar eigen gedachten achtergrond te geven. Ook betbetovergrootvader Emerson laat ze af en toe aan het woord. En natuurlijk gaan haar stukken óók over het ziekenhuis, de oncoloog, de assistenten van de bestralingsafdeling, die altijd lijken te dansen terwijl ze de patiënten sommeren om absoluut onbeweeglijk te blijven liggen. Als haar ene borst is afgezet, schrijft ze: ‘Mijn overgebleven borst hangt er net zo belachelijk bij als ik me al had voorgesteld.’

Tot het ophoudt

Ziek zijn is natuurlijk niet alleen maar leuk dapper doen. Het is ook pijn, waarover ze maar een enkele keer schrijft. Het is ook met grotere intensiteit naar de wereld kijken, naar haar kinderen Benny (5) en Freddy (8), die vragen stellen als: ‘Waar gaat je borst naartoe? Je weet wel, als ze hem eraf hebben gesneden?’ Haar man en zij overwegen of ze therapeuten moeten zoeken voor de kinderen. ‘Het zou fantastisch zijn als ook maar íémand de juiste dingen wist te zeggen’, appt ze naar een vriendin.

Op internet staat nog het blog dat Riggs bijhield tijdens haar ziekte. Veel van de dingen die ze daar schreef, zijn uiteraard in het boek terechtgekomen. Maar je ziet ook goed wat ze met haar teksten gedaan heeft: krachtdadig geschrapt in uitleg, ziekenhuisgedoe, getob. Herschikt, zodat een fragment onverwacht een verhaal doorbreekt en de scherven elkaar spiegelen en betekenis geven.

Op de flap van In het oranje ochtendlicht staat een citaat uit de krant USA Today: ‘Wat geeft het leven betekenis als je nog maar een paar dagen hebt?’ Dat is precies het soort citaat dat niet op dit boek zou moeten staan. Want zo stampvoetend – en ik wil nú weten wat ertoe doet! – is dit boek helemaal niet. En het gaat ook niet over ‘nog maar een paar dagen’. Het gaat gewoon over het leven, wat het is, elke dag weer. Tot het ophoudt.