Recensie

De horror van het anti-elitarisme

Ray Bradbury

Fahrenheit 451 van Bradbury beleeft een revival, met dank aan Trump. Deze sf-roman koppelt nostalgie aan een gruwelijke toekomst. Boeken worden verbrand, dom amusement zegeviert.

Brandweerman Guy Montag blust geen vuur, maar steekt het aan Foto iStock

Ray Bradbury (1920-2012) was in essentie een ouderwetse sciencefiction-schrijver. Niet in de zin dat hij uit dezelfde mal gegoten was als zijn befaamde tijdgenoten Robert Heinlein, Isaac Asimov en Arthur C. Clarke, mastodonten van The Golden Age van het genre, maar omdat hij over de toekomst schreef vanuit een hunkering naar het verleden. Er doemde veel op aan de horizon dat hem tegenstond, ontwikkelingen die in het heden al in embryonale fase verkeerden, of erger.

Bradbury wantrouwde internet, zoals hij daarvoor al televisie wantrouwde. Steeds zei zijn werk: o, was de wereld nog maar zoals het Waukegan, Illinois van mijn jeugd. Bijvoorbeeld door er een (verraderlijke) replica van te situeren op Mars, of door te laten zien hoe donkere krachten die wereld corrumpeerden.

Bradbury’s bekendste roman is Fahrenheit 451 (1953), het ‘boekverbrandingsboek’, dat aan een revival bezig is die niet los kan worden gezien van de opkomst van Trump. Ik verslond het ooit als dertienjarige, nadat ik een vergeelde Prisma-pocket uit 1960 – vertaling: Cees Buddingh’ – had opgeduikeld in een antiquariaat. Het boek viel, hoe symbolisch, uit elkaar.

De roman koppelt nostalgie aan zorgen over ontlezing en een feilloos gevoel voor futuristische verschrikkingen. Beter dan toen zie ik nu – in de opgefriste vertaling van Evi Hoste – dat Bradbury niet zozeer waarschuwt voor de totalitaire knoet, maar voor het anti-elitarisme dat gestimuleerd wordt door licht verteerbare beeldenpap.

In de wereld van Fahrenheit 451 komt onderdrukking voort uit een platgeslagen cultuur, gedragen door een volk dat er zelf voor gekozen heeft zich van ernstige zaken te laten afleiden, waaronder oorlogen. Politici hebben het nooit meer over beleid, maar worden gekozen op basis van hoe leuk ze overkomen op het scherm. Alles wat het geruststellende dieet van licht televisievermaak ondermijnt, moet eraan geloven.

Tegenovergestelde wereldbeelden

Hoofdfiguur van Fahrenheit 451 – de ontbrandingstemperatuur van papier – is brandweerman Guy Montag, die geen vuren blust, maar ze aansteekt. En dan vooral: boeken en huizen van mensen die clandestien boeken in bezit hebben. Volgens de herschreven geschiedenis is de brandweer in 1790 door Benjamin Franklin opgericht om door Engeland beïnvloede boeken te verbranden, en van die plicht kwijt Montag zich ogenschijnlijk met graagte.

Maar er knaagt iets. Hij ontmoet het curieuze meisje Clarisse, die als asociaal wordt gezien omdat ze oog heeft voor andere dingen dan het tv-scherm – ze brengt haar avonden door met heuse gesprekken in familiekring en wandelingen. Montag begint te zien wat zij ziet en komt steeds verder af te staan van zijn vrouw Mildred, die de hele dag in de zitkamer vegeteert voor schermen ter grootte van muren. Ze hebben er drie, maar ‘het zal nog leuker zijn’, aldus Mildred, ‘wanneer we ons kunnen veroorloven om die vierde muur te laten installeren. Hoe lang denk je dat het duurt voor we genoeg gespaard hebben om die vierde muur te slopen en een viermuren-tv te installeren?’

In deze ideeënroman representeren de bijfiguren tegenovergestelde wereldbeelden. Montag is het slagveld waarop de ideeënstrijd wordt uitgevochten. Tegenover Clarisse staat de dominante commandant die meent dat alles wat mensen tegen kan staan, beter verbrand kan worden. ‘Heeft iemand een boek geschreven over tabak en longkanker? Huilen de rokers? Verbrand het boek. Sereniteit, Montag. Vrede, Montag. Ontwapen het slagveld. Of beter nog, in de verbrandingsoven ermee. Zijn begrafenissen droevig en paganistisch? Schaf die ook af. […] Verbrand allen, verbrand alles. Vuur is helder en vuur is schoon.’

En er is de oude Faber, die in het geniep boeken bewaart. ‘Onthoud’, zegt Faber, ‘de brandweermannen zijn zelden nodig. Het publiek is uit eigen beweging gestopt met lezen. […] Zo weinigen willen nog rebellen zijn. En van die weinigen schrikken de meesten makkelijk, zoals ikzelf. Kun jij sneller dansen dan de Witte Clown, luider schreeuwen dan “Meneer Gimmick” en de “zitkamerfamilies”?’

Montag rebelleert wel degelijk. Ik zal niet zeggen hoe en met welke gevolgen, maar het was moeilijk op zeker moment niet aan de live uitgezonden jacht op O.J. Simpson te denken.

Wat opvalt: hoe beklemmend dit boek is. De stijl is soms ongepolijst – ik stoorde me aan de hoeveelheid uitroeptekens –, maar de koortsige kwaliteit ervan kom je dan weer zelden tegen in moderne literatuur. Ook al ligt een idee aan de basis van dit boek, Bradbury injecteert het verhaal met een fikse dosis existentiële horror, een adem afsnijdende verschrikking die niet het doel is, maar het logische uitvloeisel van de opzet en de thematiek.

‘Leef voor eeuwig’

Bradbury was een autodidact die in zekere zin altijd het jochie is gebleven dat werd weggeblazen door Edgar Allen Poe. Hij had moeite met het sciencefictionlabel, en de sf-wereld had ook moeite met hem, omdat hij een eigen niche creëerde waarin kernelementen van het genre eerder symbolisch dan strikt wetenschappelijk werden ingezet. Genregrenzen werden in zijn handen poreus: hij schreef even makkelijk gothic horror en droeg ook bij aan de legendarische tv-serie The Twilight Zone.

Interessant is het (vermoedelijk apocriefe) verhaal dat Bradbury vertelde over de vonk die de schrijver in hem ontwaakte – een gothic-verhaal op zich. Toen hij twaalf was zag hij in een rondreizend circus ene Mr. Electrico, die onsterfelijkheid aantoonde door zichzelf onder stroom te zetten in een elektrische stoel. „Het is zevenzeventig jaar terug’, vertelde hij The Paris Review, „maar ik herinner het me goed. […] Hij zat in de elektrische stoel met zijn zwaard, haalde de hendel over, en zijn haar stond rechtop. Hij reikte met zijn zwaard naar het publiek en raakte iedereen op de eerste rij even aan, jongens en meisjes, mannen en vrouwen, de elektriciteit spatte van zijn zwaard. Toen hij mij bereikte, raakte hij me aan op mijn wenkbrauw en mijn neus en mijn kin, en zei, fluisterend: ‘Leef voor eeuwig’. En dat besloot ik te doen.”

De manier om dat te bewerkstelligen, zei Bradbury, was schrijven. Verhalen vertellen. En ja, in Fahrenheit 451 staat de overlevingskracht van literatuur uiteindelijk centraal. In een wereld waarin boeken verboden zijn, leven nog mensen die elk één titel uit het hoofd hebben geleerd, opdat de tekst weer te boek kan worden gesteld op het moment dat de culturele en politieke wind is gedraaid.

Literatuur, dat voelde Bradbury goed aan, is een soort tovertruc. Een schrijver neemt woorden die al voor hem bestonden en nog na hem zullen voortbestaan en animeert ze met zijn wezen. Nu bestaat hij buiten zichzelf – hij heeft de dood een loer gedraaid en infecteert, zelfs na zijn eigen afscheid, lezers met zijn onstoffelijke, parasitaire zelf. Wij lezers hebben langs deze weg vele vaders en moeders, ja, we délen vele vaders en moeders, en zijn zo door onzichtbare strengen aan elkaar verbonden, een hive mind die pas zal sterven wanneer de kunst tot niemand meer spreekt.

En kijk, Ray Bradbury is dood. En kijk, Ray Bradbury leeft.