Column

Dat ze snot aan mijn wang afvegen, accepteer ik

Schrijver Arnon Grunberg vervangt twee weken non-stop een vader in een Zutphens gezin met vier kinderen. Hij doet dagelijks verslag.

Hoewel ze pas morgen jarig is, vieren we vandaag de eerste verjaardag van Zora. Er worden slingers opgehangen, er komt bezoek, in elk geval de vader van Marjolein en haar reserveouders, Jan en Liesbeth.

Ik moet nog een cadeautje kopen. Later op de dag zal ik komen aanzetten met een fles kinderchampagne en champagne rosé voor moeder en vervangvader, maar de moeder blijkt niet te drinken.

Terwijl Marjolein taarten bakt, probeer ik op haar verzoek de jongste twee kinderen bezig te houden door met ze te wandelen. De acceptatie van de vervangvader laat bij de oudste twee te wensen over. Dat kan aan mij liggen, maar wat kan ik beter doen? Als ze hun snot aan mijn wang afvegen accepteer ik dat gelaten, denkend: morgen ga ik me toch scheren.

Na het bakken lopen we langs de IJssel. Marjolein vertelt dat ze haar bedenkingen heeft bij vaccinaties, dat kinderen daardoor een persoonlijkheidsverandering kunnen ondergaan.

„Dat wist ik niet”, zeg ik.

Het bezoek arriveert. We gaan in de tuin zitten.

De vader van Marjolein, Cor, richt het woord tot mij. „Ik kom uit de psychiatrie,” zegt hij, „maar het gaat wel goed. Ik houd de psychiatrie op afstand en leef in redelijke vrijheid.”

Al eerder had Marjolein verteld dat haar vader vroeger last had van wanen. De reserveouders bij wie Marjolein een tijd heeft gewoond zijn allebei arts: zij oncoloog, hij internist. Spreken over persoonlijke zaken lijken ze ongaarne te doen.

Daarentegen spreekt opa Cor, voor wie ik een intuïtieve sympathie voel, veel. „Jij bent Joods”, zegt hij tegen mij, „ja, wat de Heer met het Joodse volk voor heeft, daar begrijp ik niets van.”

„Bent u gelovig?”, informeer ik.

„Dat niet, maar ik probeer een persoonlijke relatie met de Heer te onderhouden.”

Een persoonlijke relatie met zijn dochter en kleindochters lijkt hem meer moeite te kosten. Vergeleken met mensen valt de Heer vermoedelijk mee.

Als het gesprek gaat over de kinderen als klimapen, zegt opa Cor tegen Liesbeth en Jan: „Jullie klimmen zeker niet meer in elkaar?”

Het bezoek is nog niet weg of ik krijg migraine. „Ben je gevoelig?”, vraagt Marjolein.

„Geen idee”, zeg ik.

„Het eerste wat me opviel toen ik je de eerste keer zag, was hoe gevoelig je bent.”

Misschien komt het door de migraine, maar haar woorden ontroeren me.

„Is het goed als de vervangvader even in de kinderkamer gaat liggen?”, vraag ik.

(Wordt vervolgd)