Recensie

Blote jongens voor de webcam

Het nieuwe werk van de Brits-Nederlandse kunstenaar David Haines (1969) is op twee niveaus te waarderen. Technisch zijn zijn tekeningen interessant voor wie van fotorealisme houdt, van handgemaakt beeld dat haast niet van foto’s te onderscheiden is. Haines tekent heel secuur foto’s en screenshots na, waarbij zijn persoonlijke handschrift er net zo weinig toe doet als de penseelstreek in schilderijen van de Amerikaanse fotorealisten uit de jaren zestig en zeventig. Vier tekeningen van op- en weer uitgevouwen flyers zijn ouderwetse trompe-l’oeils. Wat? Is dat getékend?

Inhoudelijk wil Haines iets meedelen over hoe homoseksuele mannen zich presenteren, online en in het echt. Want de flyers met hyperrealistische vouwen en schaduwen kondigen seksfeesten aan voor specifieke groepen homo’s: liefhebbers van trainingspakken en sneakers, van Arabische jongens of van stevige behaarde mannen.

Wie naar zo’n feest gaat, associeert zich met een bepaalde scene.

Maar ook op een individueler niveau, lijkt Haines te willen zeggen, moet de homoseksuele man een identiteit kiezen. Een beeld van zichzelf. Twee tijdelijke, op de muur van de Upstream Gallery in Amsterdam gemaakte tekeningen geven onopgemaakte tweepersoonsbedden te zien met opengeklapte laptops op de lakens. Daar, kun je je voorstellen, neemt zodadelijk een halfblote jongeman plaats die wil chatten voor geld. Haines toont ook dertien nagetekende screenshots van mannen die voor een webcam zitten te wachten tot er iemand bijt. Ze laten zich van hun coolste kant zien. Staren wat verveeld in de two way mirror die hun computerscherm is.

In de galerie staan ook twee schermen met échte webcambeelden. Boven trainingsbroeken en boxers wordt geflext met buik- en armspieren. Een commentaarstem citeert de filosoof Alan Watts, die (onder meer) zegt dat we, wanneer we geconcentreerd kijken en luisteren, al onze spieren aanspannen. „So everybody, chronically, pulls themselves together. That chronic tension is the root of what we call the feeling of the ego. (…) This feeling of tightness is the physical referent for the psychological image of ourselves.”

Vijf dagen na mijn bezoek aan de tentoonstelling breek ik me er nog steeds het hoofd over wat Watts en Haines daarmee bedoeld kunnen hebben.