Cultuur

Interview

foto Bram Petraeus

Racen om te pronken

Ze racen en pronken op speciale circuits, de eigenaren van klassieke motoren. „Het geluid is lekker, hè. Harder.”

Tussen de benen van de getatoeëerde toeschouwers drentelt een peuter met dikke oorbeschermers op zijn hoofd, onaangedaan door het enorme lawaai van de motoren die voorbijscheuren. De commentator is nog net te verstaan: „Het is niet te geloven dames en heren, maar de oudste deelnemer is zes-en-tachtig jaar!”

Honderden mensen hebben zich met een biertje en een broodje bal verzameld bij de startstrook van het circuit in de weilanden van buurtschap Basse in Overijssel. Daar wordt een merkwaardige motorrace gehouden. Niet de snelste rijder neemt de beker in ontvangst, maar degene die elke rondje ongeveer even hard rijdt. Want als de deelnemers in een flits voorbij zouden komen, zouden de toeschouwers de motoren niet goed kunnen bekijken. Zonde: het zijn machines waarmee in de jaren 50 tot begin jaren 70 werd geraced.

Vandaar de ‘gelijkmatigheidswedstrijden’ die de landelijke motororganisatie Classic Racing Team (CRT) in elke provincie organiseert. In de winter wordt gesleuteld, in de zomer trekken de 140 leden met caravans en aanhang naar de circuits.

foto Bram Petraeus
foto Bram Petraeus

Horloges zijn verboden, snelheidsmeters ook. Deelnemers moeten op gevoel zo constant mogelijk rijden om de seizoenscompetitie te winnen, zegt CRT-voorzitter Corné Caron (44). Een groepje van vijf mannen strijdt elke race officieus om de koppositie, zoals Bert Struijk (69) die in 1978 Nederlands kampioen was. Met zijn vrouw Marion Struijk-Vermeulen (49) vormt hij een team: De Struikrovers. Van zijn geliefde mag hij alleen nog op circuits rijden, niet meer op de openbare weg. „Dan gaat hij racen, komt hij de politie tegen en raakt hij zijn rijbewijs kwijt.”

Het stel heeft zelf zijn klassieke motoren opgebouwd, een MV Agusta replica en een Honda CB 500f. Replica’s zijn niet zomaar in de winkel te koop. Struik: „Die dingen van ons kostten 10.000 euro per stuk. Ik koop een donormotor, een oude sloopmotor die ik helemaal uit elkaar haal. Het lassen begint met een kaal frame. Onderdelen zoals het motorblok vind ik op internet.” Commentator Fred Rust (70): „Onze leden maken de motoren mooier dan fabrieksnieuw. Er gaat gigantisch veel geld om in deze sport, want klassieke onderdelen zijn schaars en moeten uit alle hoeken van de wereld komen.”

foto Bram Petraeus
foto Bram Petraeus
foto Bram Petraeus
foto Bram Petraeus

Toppers in de allerlichtste klasse

Nederlanders waren in de jaren zestig en zeventig toppers in het motorracen, zoals Henk van Kessel en Jan de Vries, wereldkampioenen in de allerlichtste klasse, zegt Caron. Niet vreemd dat de oude kerels in de meerderheid zijn op het circuit. „Het is puur nostalgie”, zegt Struijk. „Ik heb leuke herinneringen aan vroeger.” Ook Jan Warners (69), ooit derde op de TT Assen, denkt graag terug aan zijn hoogtijdagen als racer. Hij rijdt op een Yamaha AS3 „Ik wil die tijden herbeleven. Racemotoren van tegenwoordig zijn net rijdende computers.”

foto Bram Petraeus
foto Bram Petraeus

Gebroken sleutelbenen, een klaplong, vleeswonden; Jan Vermeulen (68), gepensioneerd huisarts en vrijwilliger, heeft het allemaal gezien in de twintig jaar dat hij als dokter op het circuit rondloopt. Vorig jaar reed een 84-jarige deelnemer halverwege een bocht ineens rechtdoor. Hij had een TIA, een lichte beroerte. Is het onverantwoord om gepensioneerden te laten racen? „Welnee”, zegt Vermeulen. „Het zit in het bloed van die mensen. Ze doen dit al jaren. En een TIA kan je ook op jonge leeftijd in je stoel krijgen.”

Toeschouwer Jan Veenstra (53) komt al 22 jaar naar het circuit in Basse – hij woont om de hoek. Op zijn roodverbrande borst hangt een ketting met een motor eraan. „Het spul dat hier rijdt, kan ik niet betalen”, zegt hij een tikje jaloers. „Je ziet de techniek van vroeger. Het is simpeler. Het geluid is ook lekker, hè. Harder. Ze rijden zonder geluidsdempers op de uitlaat.” Niet de bedoeling, volgens commentator Rust. „104 decibel is het maximum en dat is al tegen de pijngrens aan. Maar in de tijd tussen de keuring en de race kan een hoop gebeuren.”

Op de foto: Jan Veenstra (rode blouse)
foto Bram Petraeus

foto Bram Petraeus

Manfred Hink (43), zwart hoedje, biertje in de hand, is met elf vrienden van motorclub De Zwervers uit Kampen naar Basse afgereisd. Ook hij komt om zijn zintuigen te laten prikkelen: „Dit ruikt naar de goede oude tijd. Toen je als puber je eigen motor opvoerde. Je kan makkelijker aan die klassieke motoren sleutelen. Er zit minder elektronische shitzooi in. Voor moderne racemotoren moet je een halve IT’er zijn.”

De meest spectaculaire race van de dag is die met de zijspan-motoren. In wagentjes die aan de motoren zijn bevestigd ‘zitten’ de zogenoemde bakkenisten, voornamelijk vrouwen. Op de rechte stukken liggen ze plat op hun buik, hun benen bungelend uit de wagen. De metalen neuzen op hun laarzen moeten voorkomen dat ze hun tenen verliezen. In de bochten hangen de vrouwen uit de bak of over het zijspan heen. „De bakkenist moet het zijspan aan de grond houden. Anders gaat-ie over de kop”, zegt motorrijder Jaap Schulz (61).

Hij rijdt al twaalf jaar in de zijspan met zijn vrouw Marlijna (51). „De onderdelen van onze span, een Triumph bonneville, zijn 40 of 50 jaar oud. Als ik de race uitrij ben ik tevreden. Afgelopen weekend brak er weer een uitlaat af.” Marlijna laat het sleutelen aan haar man over. Zij zit liever in de bak: „Laat mij maar lekker als aapie van voor naar achter klimmen. Soms moet ik even mijn hoofd intrekken om niet een strobaal te raken maar het gaat altijd goed.”

Foto Bram Petraeus

Na de races keren de rijders terug naar het ‘rennerskwartier’, een veld met caravans en campers. Han Dusoswa (70) uit Leiderdorp laat de benzine uit zijn Sparta Villiers AAA2 lopen. Hij komt deze zomer niet meer in actie, het was de laatste CRT-race van het seizoen. Jammer. De aandacht is wel leuk, vindt hij. „Mensen maken foto’s. Stellen vragen. Je doet het ook een beetje voor het publiek.”

Zijn vrouw Nel Dusoswa (66) stond een paar jaar geleden ook met haar eigen motor aan de start. Maar dat bleek onhandig. Ze kon haar man niet goed assisteren. Vandaag hielp ze hem met het aantrekken van zijn pak en laarzen en maakte ze de helm schoon. „Ik zorg voor het natje en het droogje, koffie en broodjes. De mannen een beetje ondersteunen.” Nel Dusoswa ziet ze wel, de racende dochters van de mannen. Ze denkt even na: Misschien doe ik volgend jaar weer mee.”

foto Bram Petraeus