Opinie

Pas op missie na evaluatie van de vorige

Het meten van resultaten in conflictgebieden is lastig, maar dit mag geen reden zijn om een goede evaluatie van ‘Uruzgan’ uit de weg te gaan, schrijft .
Kamp Holland in Tarin Kowt, hoofdstad van de provincie Uruzgan, waar het Afghaanse Nationale Leger getraind werd door Nederlandse militairen. Foto Valerie Kuypers/ANP

Op initiatief van CDA’er Raymond Knops verzoekt een Kamermeerderheid demissionair Defensieminister Hennis om een nieuwe evaluatie van ‘Uruzgan’. Een missie die 25 Nederlanders het leven heeft gekost en waarvan de claims over behaalde resultaten omstreden zijn.

De eindevaluatie van 2011 was onvolledig. Een degelijke beoordeling kan helpen om lessen te trekken die ons beter voorbereiden op een nieuwe missie. Bovendien is het maatschappelijk belang enorm. Niet alleen voor de belastingbetaler, maar ook voor de honderden militairen, diplomaten en andere uitgezonden Nederlanders die willen weten wat voor effect hun werk gehad heeft.

Terwijl Trump en NAVO aandringen op het sturen van meer troepen naar Afghanistan, ging het debat in Nederland de afgelopen weken vooral over het wel of niet evalueren van de reeds beëindigde Uruzgan-missie (2006-2010). De aandacht was maar van korte duur. Het is overigens nog maar de vraag of Hennis een nieuwe evaluatie laat uitvoeren. Om drie redenen zou dat een gemiste kans zijn. De commissie die de eindevaluatie in 2011 beoordeelde, gaf duidelijk aan dat de doeltreffendheid van het beleid en de duurzame resultaten niet onderzocht zijn. „De outcome en impact van de Nederlandse deelname aan de ISAF-missie zouden in een later stadium onderzocht kunnen en misschien wel moeten worden.”

Deze evaluatie onderzocht alleen de Nederlandse bijdrage in Uruzgan, zonder te kijken naar het bredere kader van de ISAF-missie en de inbreng van andere landen. Evenmin werd gekeken naar het politieke besluitvormingsproces, terwijl dat grote invloed heeft op resultaat en draagvlak. Zonder een nieuwe evaluatie blijven we vasthouden aan ongefundeerde claims, terwijl al het onafhankelijke onderzoek sindsdien (onder andere uitgevoerd door Jan Willem Petersen, Martijn Kitzen en De Correspondent) juist vraagtekens zet bij tactiek, resultaten en de eindevaluatie uit 2011.

Ten tweede: voor nieuwe missies is het uiterst belangrijk om van tevoren met een beter en effectiever evaluatieraamwerk te komen dat niet alleen de duurzaamheid van resultaten kan onderzoeken maar ook de missie vanaf het begin dwingt doelstellingen zo te formuleren dat ze concreet, realistisch en meetbaar zijn. De noodzaak van een beter evaluatiekader dat tevens voor een beter ontwerp van de missie zelf zorgt, is ook gebleken bij de eindevaluatie van de geïntegreerde politietrainingsmissie in Kunduz (2011-2013). Een jaar na die missie was eigenlijk al bijna niets meer te zeggen over de duurzaamheid. De eind-evaluatie meldde dat het toeschrijven van zichtbare resultaten aan de missie vijf jaar later lastig zal zijn. Het klopt dat het meten van resultaten in conflictgebieden een uitdaging is, maar dit mag geen reden zijn om een goede evaluatie uit de weg te gaan. Het betekent juist dat we moeten leren om beter te evalueren zodat we meer inzicht kunnen krijgen in hoe we ter plekke bescheiden maar duurzame veranderingen tot stand kunnen brengen.

Tot slot heeft een nieuwe evaluatie een belangrijk politiek bijeffect. Beter inzicht in wat er wel en niet bereikt is, kan de angst voor nieuwe missies wegnemen. De evaluatie moet zowel kijken naar de duurzaamheid van tastbare resultaten (wegen, scholen) als naar minder tastbare: de kwaliteit van het bestuur en de capaciteit om ontwikkelingsprojecten voort te zetten, recht te spreken, politieposten te bemannen en burgers te beschermen. Hoe zit het momenteel met de toegang tot basisvoorzieningen als gezondheidszorg, onderwijs en rechtspraak?

Het is onnodig en vaak onmogelijk om die resultaten een-op-een terug te voeren op de missie. Belangrijker is om meer inzicht te krijgen in hoe onze bijdrage al dan niet aan bredere ontwikkelingsprocessen heeft bijgedragen en wat daar, ondanks de problematische veiligheidssituatie, nog van over is. Het gaat overigens niet alleen om een evaluatie ter plekke, het politieke besluitvormingsproces in Den Haag verdient minstens zoveel aandacht.