Column

Parkiet op wielen

Dat je voor lul rijdt op een deelfiets vermoedde ik al, maar nu dit grootsteedse fenomeen zich over ons hele land gaat verspreiden (Den Haag wil ze, net als Dordrecht, Utrecht, Maastricht…) moest ik dat maar eens proefondervindelijk vaststellen.

Ach, het valt best mee, op zo’n Rotterdamse oBike. Als je tenminste een piepklein Aziaatje bent, zo stel ik me voor. Met worstenkuiten. Want allemachtig, wat trappen ze zwaar, alsof de velgen aanlopen. Twee keer wissel ik van exemplaar, maar het hoort kennelijk. En zelfs in de hoogste zadelstand is de oBike alleen met o-benen te berijden.

Lotgenoten zie ik nergens, op m’n tochtje door het centrum en Delfshaven. Wel halen ov-fietsen me in, bij bosjes. Oer-Hollandse rossen, voor vier euro per etmaal, waar ik één euro per uur betaal voor een grijs-gele parkiet, wier soortgenoten overal aan de kant staan gestald en gekwakt. Op de koop toe krijg ik dezelfde spottende blikken als toen ik eens met een rolkoffertje over het Rokin liep.

Waarom zijn dit eigenlijk déélfietsen? De gebruikers hebben ze niet collectief in bezit. Dat heeft alleen een bedrijf dat domweg op een nieuw verhuurmodel mikt. Airbnb en Uber achterna. Delen, dat klinkt heerlijk moestuinerig. Tel daar de kosmopolitische allure van Barcelona en Parijs bij op en kassa.

Halverwege de Nieuwe Binnenweg dringt één conclusie zich op. Het ooit zo moppige hippiemeisje van de deeleconomie is een derderangssloerie geworden, die hele stadsbesturen weet op te geilen met haar praatjes: ‘Net als in Parijs…’

Ach, Parijs! Waar fietsen, zoals overal buiten ons zompige vlaklandje, een outdoor activity is, levensgevaarlijk zonder helm. Hier heeft iedereen boven de twee zijn eigen fiets, en hoeveel verdiepingen je die stallingen ook uitbreidt, binnen drie tellen zijn ze volgestroomd met zeeën van glimmende stuurstangen. Daar moet al dat geel-grijze schroot straks nog bij. Plus dat van de concurrenten, die allemaal hebberig met hun kleurige strooifietsjes klaarstaan op de stoep. Amsterdam is het spuugzat en wil al die fietsen weer weghalen. Elders liggen ze nog in katzwijm bij de hete beloftes van de geldbeluste deeldel.

O ja, ik begrijp de wrevelige blikken wel die ik en mijn o-benen opvangen van stratenmakers en winkeliers. Daar ben ik: de toerist. Die je portiek onderkotst en die je straten verziekt met het gegrom van z’n rolkoffertje. En die je lucht vervuilt en je nachtrust komt verstoren met z’n budgetvluchten. En die lukraak z’n fiets ergens neerkwakt, blij toe van het kreng te zijn verlost. Het enige wat we werkelijk delen is ergernis.

Christiaan Weijts schrijft hier elke vrijdag een column.