Interview

‘Heb ik die zin goed gezegd?’

Hans Croiset Op zijn 81ste is acteur Hans Croiset genomineerd voor de hoogste acteerprijs, de Louis d’Or, voor zijn rol als dementerende in ‘De Vader’. „Applaus zegt mij niets.”

Foto Koos Breukel

‘Gisteravond heb ik toen ik opkwam voor het eerst iets gedaan wat ik al lang wilde, maar steeds niet durfde. Op het toneel staan mijn dochter en mijn verzorgster in spe op mij te wachten; ze voeren een gesprekje. Dan loop ik op en vraag: ‘Werd er nou gebeld?’ Dan zegt mijn dochter: ‘Ja, je komt als geroepen.’ Waarop ik zeg: ‘O. O!’ Dan voel je al meteen de verwarring bij mijn personage, André. Maar gister zei ik dat zinnetje niet als vraag, maar als het ware hardop in mijzelf, alsof ik niet weet dat er anderen zijn. Dat bedacht ik vlak voor de vakantie. Gisteravond waagde ik het erop. Vind ik spannend.”

Hans Croiset speelt het voor, zoals hij voortdurend scènes en regels uit de voorstelling De Vader oproept, ook al zitten we verder rustig aan een cafétafel in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Zijn rol van ongeremde, dementerende vader, die zijn dochter en verzorgers tot wanhoop brengt, bezorgde de 81-jarige Croiset een nominatie voor de Louis d’Or, de hoogste acteeronderscheiding, waarvan de winnaar op 17 september bekend wordt gemaakt. De Vader is geselecteerd voor het Theaterfestival, dat vandaag begint. Van zo’n nominatie ziet hij de aardigheid wel in, maar verder haalt hij er zijn schouders over op. In 1980 won hij de prijs al een keer, een jaar nadat zijn jongere broer Jules Croiset hem had gekregen. „Dat ging nog zonder nominaties, wat ik wel aangenamer vind.” Al vanaf zijn achttiende staat hij op het toneel, maar Hans Croiset was vooral ook artistiek leider van vier gezelschappen, waarvan hij er drie (mede) oprichtte.

Ook na zeventig keer zijn rol van André spelen doet Croiset nog ontdekkingen. „Ik geloof dat ik het iedere avond anders doe. Andere intonaties, andere aanpak van een zin. Ik speel steeds grilliger.” Want routine is de dood.

Met z’n allen één keer buigen

Vorige week in Den Haag, waar de korte reprisetournee begon, was het applaus op een avond overdonderend, vertelt hij. „Ik leek wel een popster.” Maar applaus zegt hem niets. „Met zijn allen één keer buigen vind ik genoeg. Maar dit stuk over alzheimer lokt vrij veel emoties uit. Ik begrijp wel dat mensen daar uiting aan geven.”

De grote sensatie van de voorstelling is voor Croiset het inventieve scenario van de Franse auteur Florian Zeller. Die had de machtige ingeving om scènes te schrijven zoals de dementerende ze beleeft: als hij iemand anders voor zijn dochter aanziet, speelt ook een andere actrice zijn dochter. En als hij een gebeurtenis beleeft die zich al lang geleden heeft voltrokken, is dat geen flashback, maar gewoon een scène tussendoor. Zo wordt de verwarring van de man ook de verwarring van het publiek.

Croiset: „Dat scenario is ongelofelijk. Ik had tot voor kort niet gedacht dat het op toneel mogelijk zou zijn. Net als in dans en bij muziek keren thema’s en motieven terug in wisselende gedaantes. De constructie maakt het mogelijk om scènes te herhalen en vanuit een ander standpunt te spelen. Zoiets had ik nog nooit gezien.” Verder is de dementerende vader voor hem „een gewone rol”, zegt hij. „Even moeilijk of makkelijk als andere rollen. De complexiteit van een rol moet je tijdens de repetities ordenen in een systeem. En dat systeem moet soepel lopen.”

Wat voor systeem hanteert u voor deze rol?

„In dit stuk kun je niet refereren aan een vorige zin, want de man kent logica noch chronologie. Hij krijgt steeds een andere ingeving en gaat van de hak op de tak. In mijn hoofd moet ik bliksemsnel schakelen. Ik heb veel gehad aan de formidabele schakeltechniek van Annet Nieuwenhuyzen, die vorig jaar is overleden en met wie ik veel heb gespeeld. Dora van der Groen, die veel Belgische topacteurs heeft opgeleid, noemde het ‘knippen’. Een koud woord, dat misschien ontluisterend werkt voor publiek dat gelooft in authenticiteit en doorleefdheid. „Acteren is een techniek die je verkrijgt tijdens het werkproces. Inspiratie is onzin. Inspiratie is op de repetitie zoveel mogelijk zijpaden inslaan en fouten maken – tot het goed is. In mijn rol moet ik elke keer knippen omdat ik nooit een doorlopende emotie heb. Op het moment dat André verdrietig is, is het ook al weer over. Dat zijn schakelingen waar ik als een hordeloper voor moet trainen. Het zijn geen emoties die ik zelf voel. Ik hou afstand. Als ik elke zin ook nog eens zou verzwaren met emotie komen we in een achtbaan waar het publiek kotsmisselijk van zou worden.”

Op Facebook schreef u in uw tourneedagboek dat u soms niet wist wat u had gedaan op het toneel en dat zo’n ‘verdwijnmoment’ misschien wel de beste vorm van acteren is. Hoe werkt dat?

„Het klinkt gevaarlijk, maar dan ben je aan het zweven, de voorstelling krijgt vleugels. Als dat lukt, dan hoop je dat het nog een keer gebeurt. Maar daar kan je tien jaar op wachten.”

Deze tournee gebeurde het toch ook?

„Nou, ik zat op de rand van verdwijnen. Niet helemaal. De eerste keer dat ik het had, was helaas zo vroeg in mijn carrière dat ik dacht: ik hou ermee op. Negentien was ik, bij mijn tweede hoofdrol, in Een bruid in de morgen. Het was de ervaring van de eerste ballonvaarder, die boven de grond zweefde en dacht: wat gebeurt er nou?”

Weet u na zestig jaar spelen en regisseren wat de sleutel is tot goed acteren?

„Ik wou dat ik het wist, dan kon ik het iedere avond toepassen. En dan zou ik andere mensen helpen. Je moet een persoonlijkheid zijn. Je moet iemand zijn die zich tentoon durft te stellen op het toneel.”

Wat geeft u uw leerlingen mee?

„Weet wat je zegt. Als je dat weet, kan je verder niks verkeerd doen. Er is niet één manier. Dat werd lang gedacht, tot in de jaren vijftig, zestig.” Zijn vader, Max Croiset (1912-1993), was zo’n roemruchte acteur uit een vroeger tijdperk. Tien jaar geleden publiceerde Hans Croiset een boek over zijn getroebleerde relatie met zijn vader, Badhuisweg. Niettemin nam de zoon de vader op in zijn toenmalige toneelgezelschap en regisseerde hem, met hoogoplopende conflicten als gevolg.

Uw vader wilde gewoon zijn tekst zeggen, volgens u moest een acteur iedere avond op zoek naar wat hij zegt. Is dat de formule?

„Dat een tekst meerdere lagen kon hebben, werd in die tijd niet geduid. Nu is het de normaalste zaak van de wereld om bij acteurs aan te boren wat er onder de tekst zit. Dat was nieuw in de jaren zestig, toen ik begon met regisseren.”

U hoeft niet meer te vechten voor erkenning door uw vader, zoals vroeger?

„Maar ik denk nog altijd: dit moet hij leuk hebben gevonden. Een goede rol, een mooie voorstelling. Dat gaat nooit over. Ik kan iedereen met een jeugdtrauma waarschuwen: dat beleef je op je tachtigste nog alsof je zestien bent.”

Had u dat trauma niet van u af geschreven?

„Jawel, maar bij het van je afschrijven roep je de ellende ook weer op. Misschien heb ik het geordend. Heb ik het beter als een pakketje weg kunnen leggen. Maar dat pakketje wordt geregeld buiten mij om opengemaakt – door mijn andere ik.”

U bent niet meer boos?

„Nee.” Croiset aarzelt over zijn volgende zin. „Mijn vader heeft het in zijn jeugd ook niet makkelijk gehad. Daar kwam ik pas later stukje bij beetje achter.” Max Croiset was ook dichter, die veel schreef over gemis, stilte en zijn worsteling met het feit dat hij als Jood wel de oorlog had overleefd. Ik citeer een tweeregelig gedicht: ‘Haar stem is bij mij vanbinnen/ mijn oren missen haar.’ Croiset neemt de woorden in zich op en zegt dan: „Mooi. Hij kon prachtig schrijven.” En dan: „Ja, in zijn poëzie zie je een ander mens. Daaruit kreeg ik een ander beeld van hem dan de vader die hij in werkelijkheid was.”

U heeft hem een beest genoemd.

„Ja, en een boef. Hij heeft vreselijke dingen gedaan. Maar het was hard om hem zo te noemen.”

Heeft u overdreven?

„Nee, ik heb me ingehouden.”

In zijn brieven was hij nog gemener, schreef u.

„Ik heb die brieven nog. Die heb ik nooit meer durven lezen. Vanwege zijn nagedachtenis wil ik die maar zachtjes laten verdwijnen. Want het is wel heel erg wat daar staat. En omdat hij schrijven kon, zijn die zinnen ook nog eens uit marmer gehouwen.”

Vindt u inmiddels van uzelf dat u een ‘spelersziel’ hebt?

„Nee, ik ben niet zo’n speelbeest.”

Dat woord verwijst naar een verwijt van uw vader. Hij geloofde niet in uw talent omdat u geen ‘spelersziel’ zou hebben.

„O ja. Daar heeft hij misschien gelijk in. Maar ik heb dat verwijt gepareerd. Achteraf kan ik zeggen dat het me heeft geïnspireerd om te gaan acteren vanuit een andere invalshoek. Niet als een innerlijke noodzaak en om mezelf te laten gelden, maar vanuit de drang om een tekst op de best mogelijke manier te vertellen. De tekst staat centraal, niet de acteur. Mijn broer Jules is wel een speelbeest. Mijn ambitie heb ik uitgeleefd op het vormgeven van een ander soort toneel en van moderne gezelschappen. Als ik me op een rol voorbereid, denk ik nog wel: wat doe ik mezelf aan? Maar uiteindelijk is acteren voor mij een vorm van ontspanning.”