NRC checkt: ‘Economie groeit puur door zeepbel op huizenmarkt’

Dit schreef adviseur ruimtelijke ordening Erik Ooms in NRC.

Foto Siese Veenstra/ANP

De aanleiding

Een weinig geruststellend opiniestuk over de huizenmarkt, op 28 augustus in NRC. De forse stijging van de huizenprijzen is grotendeels „lucht”, schreef adviseur ruimtelijke ordening Erik Ooms. De zeepbel zal barsten, voorspelt hij.

Dat betekent weinig goeds voor de Nederlandse economie als geheel. Die is sterk afhankelijk van de ontwikkelingen op de huizenmarkt, schrijft Ooms. Bij stijgende huizenprijzen trekt de groei van het bruto binnenlands product (bbp) aan, als de huizenmarkt inzakt volgt krimp. „De bubbel die op dit moment van de huizenmarkt wordt geblazen, zorgt voor enorme economische groei, meer dan 2 procent in 2017”, schrijft Ooms. „De groei komt dus niet voort uit structurele economische maatregelen, zoals onderwijs of innovatie, maar uit de huizenmarktbubbel.” We checken of de economische groei (alleen) door de woningmarkt komt.

Waar is het op gebaseerd?

Ooms verwijst per e-mail naar enkele artikelen over het verband tussen huizenmarkt en economie. Daarin wordt onder meer onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) genoemd, over een eerdere periode van stijgingen van de huizenprijzen, 1996-2001. 40 procent van de toename van de consumptie in deze periode komt door de stijging van het huizenvermogen.

En, klopt het?

Ooms legt niet uit hoe de húídige verhitting van de woningmarkt doorwerkt in de economische groei. Zien we dit in de cijfers?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Centraal Planbureau hebben data over de factoren die een rol spelen in de bbp- groei. We nemen de jaren 2015, 2016 en 2017, om een goed beeld te krijgen, want over 2017 bestaan alleen prognoses. Het bbp groeide in 2015 met 2,3 procent en in 2016 met 2,2 procent. Voor 2017 voorspelt het CPB 3,3 procent groei (meer dus dan Ooms schrijft).

Uit de cijfers blijkt meteen dat de bbp-groei niet alleen voortkomt uit de woningmarkt. De export bijvoorbeeld is goed voor ongeveer eenderde van de jaarlijkse groei. Ooms noemt dit niet.

Het meest zichtbare effect van de huizenmarkt op het bbp zit in de woninginvesteringen. Hoe meer huizen er worden gekocht, hoe meer er wordt gebouwd en vertimmerd. In de drie jaren levert dit respectievelijk 0,6, 0,6 en 0,45 procentpunt bbp-groei op.

Het tweede belangrijke effect van de huizenmarkt op het bbp verloopt via de consumptie. Bij een nieuw huis hoort vaak een nieuwe eettafel. Maar ook de consumptie van mensen die niet verhuizen, trekt aan bij oplopende huizenprijzen. Mensen voelen zich rijker als de waarde van hun huis stijgt – en kopen dan ook sneller een auto. Precieze cijfers over dit effect zijn er niet, maar aan de hand van een CPB-model kunnen we wel een schatting maken. Het model berekent het effect van stijgende huizenprijzen op het bbp, via (hoofdzakelijk) de consumptie. In 2015 was er amper extra bbp-groei, in 2016 en 2017 was er 0,1 respectievelijk 0,2 procentpunt extra bbp-groei, op basis van dit model.

Woninginvesteringen en consumptie samen genereren een bbp-groei van 0,6 à 0,7 procentpunt per jaar. Het komt aardig in de buurt van een indicatie die De Nederlandsche Bank (DNB) geeft op basis van een eigen model, waarin zowel woninginvesteringen als consumptie zijn meegenomen. De stijging van de huizenprijzen (gemiddeld 19 procent sinds medio 2013) levert per jaar gemiddeld 0,5 procentpunt extra bbp-groei op, schat DNB.

We komen uit op een waarschijnlijk effect van tussen de 0,5 en 0,7 procentpunt extra bbp-groei per jaar door de huizenmarkt. Op 2 à 3 procent bbp-groei per jaar is dat fors. Maar de economie zou ook groeien zonder de huizenmarkt.

Conclusie

De economische groei komt niet alleen door de opleving van de huizenmarkt. We beoordelen de stelling als grotendeels onwaar.