Opinie

Wanneer mogen we een historisch figuur van zijn sokkel trekken?

Beelden van sokkels trekken is geen oplossing voor onverwerkte trauma’s en sociale ongelijkheid, schrijft

Illustratie Hajo

Het was alsof de geschiedenis zich herhaalde in Charlottesville, Virgina: brullende mannen met kaalgeschoren koppen en brandende fakkels die Joden en andere „minderwaardige rassen” uitjouwden. De aanleiding voor dit onsmakelijke vertoon was het plan om een standbeeld te verwijderen van Robert E. Lee, generaal van de zuidelijke troepen tijdens de Amerikaanse burgeroorlog. Het beeld van generaal Lee, wiens troepen vochten om de slavernij in stand te houden, werd in 1924 op zijn sokkel getild, toen lynchpartijen van zwarte Amerikanen niet zeldzaam waren.

Nu gaan er, enigszins geïnspireerd door wat er in Charlottesville gebeurde, stemmen op in het Verenigd Koninkrijk om het standbeeld van admiraal Nelson op Trafalgar Square van zijn sokkel te trekken. De admiraal had zich namelijk uitgesproken voor de slavenhandel. En twee jaar geleden werd in Oxford hevig geprotesteerd tegen een beeld van Cecil Rhodes op de muur van zijn oude college, omdat de oude imperialist ideeën had over ras en koloniale verhoudingen die hevig uit de mode zijn geraakt.

Moeten we een historische figuur beoordelen op het aantal mensen dat hij over de kling heeft gejaagd?

Beeldenstormen hebben altijd iets magisch gehad. De hoop is namelijk dat met de verwoesting van een beeld de problemen die met dat beeld samenhangen op zullen lossen. Tijdens de Reformatie in de zestiende eeuw trachten protestanten de macht van de Katholieke Kerk te breken door beelden van heiligen aan stukken te slaan. Achttiende-eeuwse revolutionairen deden dat nog eens over in Frankrijk. Maar het meest extreme geval van beeldenstorm deed zich nog geen vijftig jaar geleden voor, toen Rode Gardisten alles kort en klein sloegen dat ook maar iets te maken had met het oude China; boeddhistische tempels, antiek porselein, klassieke boeken, etcetera.

Het is gemakkelijk om dit soort destructie te veroordelen. Schitterende gebouwen en onschatbare kunst gaan voor altijd verloren. Waarom kunnen we de monumenten uit het verleden niet gewoon laten staan als deel van ons erfgoed? Je moet haast wel geloven in de magische kracht van beelden om ze te willen verbrijzelen.

Maar zo simpel ligt het toch niet. Het lag voor de hand om in 1945 beelden van Hitler te verwijderen. Het was ook volkomen begrijpelijk dat Oost-Europeanen, en ook veel Russen, geen enkele behoefte hadden om na 1990 nog naar de beelden van Sovjet-leiders op te kijken. Het is natuurlijk waar dat in kunsthistorisch opzicht deze beelden zich nauwelijks konden meten met beeldhouwwerken uit de Tang-dynastie of middeleeuwse kerken in Europa. Maar dat geldt ook voor de beelden van generaal Lee in het zuiden van de VS, of, om een Nederlands voorbeeld te noemen, het monument in Amsterdam-Zuid van generaal Van Heutsz, de man die de moslims in Atjeh mores leerde.

De vraag is waar we de grens moeten trekken. Moeten we een historische figuur beoordelen op het aantal mensen dat hij over de kling heeft gejaagd? Of is het meer een kwestie van tijd die verstreken is. Is het zo dat we monumenten die nog aanstoot kunnen geven aan overlevenden moeten verwijderen, maar oudere beelden rustig kunnen laten staan? Ook dit is niet helemaal bevredigend. Beelden van Hitler of Stalin, voor zover die nog bestaan op openbare plaatsen, zijn nog steeds verwerpelijk, ook na het overlijden van hun voormalige slachtoffers.

Veel mensen in de zuidelijke staten van de VS betogen dat beelden uit de Burgeroorlog niet meer zijn dan herinneringen aan het verleden dat deel uitmaakt van een gedeelde historie. Daarom moeten zij worden bewaard. Maar de historie is zelden neutraal. Er kleeft nog wel eens gif aan.

Een belangrijk deel van onze collectieve identiteit bestaat uit de verhalen die wij onszelf over het verleden vertellen en de monumenten die daar een beeld van vormen. Dit vraagt om een zekere mate van consensus, die er vaak niet is, zeker niet na burgeroorlogen. Zelfs zonder burgeroorlog is het niet altijd makkelijk. In katholieke kringen in Nederland werd niet noodzakelijk op dezelfde heroïsche manier over de Tachtigjarige Oorlog gedacht als onder protestanten.

Het is onwaarschijnlijk dat beelden verleiden om de slavernij weer in te voeren

Duitsland na de oorlog is niet echt een moeilijk geval. In Oost- en West-Duitsland was er een duidelijke poging om zich te distantiëren van het Derde Rijk. Nostalgie voor de nazi’s en de beelden die zij achterlieten is niet heel wijdverspreid. Niettemin zijn nazi-symbolen nog steeds verboden in Duitsland, alsof zij mensen misschien alsnog in verleiding zouden kunnen brengen om het nazisme weer in leven te roepen. Dit verbod heeft een zekere reden. Een dergelijke verleiding kan juist sterker worden naarmate levende herinneringen vervliegen.

Het Verenigd Koninkrijk, en ook Nederland, hebben een minder traumatische geschiedenis. Nelson en Cecil Rhodes hielden er denkbeelden op na die nu niet meer door de beugel kunnen. Maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat hun standbeelden mensen zullen verleiden om de slavernij of het Britse imperium in Afrika weer in ere te herstellen. Ook in Nederland zullen er niet veel zijn die geïnspireerd door het monument van Van Heutsz de Indonesiërs nog eens een lesje willen leren.

Maar Amerika’s Deep South blijft een probleem. De verliezers van de burgeroorlog hebben hun nederlaag nooit helemaal kunnen accepteren. Voor veel zuiderlingen – zeker niet allemaal – is de Confederatie waar zij ooit voor vochten nog steeds iets om trots op te zijn. De beelden en monumenten uit die tijd worden gezien als een belangrijk deel van hun eigenheid. Alleen een dwaas zou nog openlijk pleiten voor de slavernij. Maar er zit wel een racistisch tintje aan het gezwaai met de vlag van de Confederates en verlangen naar het Oude Zuiden. En dat is waarom beelden van generaal Lee buiten rechtszalen en op andere openbare plekken niet onschuldig zijn, en waarom veel Amerikanen – ook liberalen in het Zuiden – ze liever kwijt willen.

Er is helaas geen duidelijke oplossing, want het gaat om zo veel meer dan beelden van brons of steen. De rancune in het Zuiden is politiek. De wonden van de Burgeroorlog zijn nooit geheeld. Buiten de grote steden is het Zuiden armer en minder hoogopgeleid dan andere delen van het land. Veel mensen voelen zich gepasseerd door de rijkere kuststreken en met de nek aangekeken. Vandaar dat zij in groten getale op Trump hebben gestemd. Het vernielen van een paar standbeelden biedt geen oplossing. Het kan het hoogstens erger maken.