Recensie

Naast stuiteren, grooven de (Thee) Oh Sees ook

Als er na een gemene roffel meteen kortsluiting van knetterende gitaarsnaren klinkt, gevolgd door een stationair zoemende baslijn waarover een stripfigurenstem eerst kinderlijke aftelversjes murmelt en dan een gil geeft terwijl er een gitaarversterker met de reverb-knop op 11 vanuit een echoput begint te brullen, kan het moeilijk anders: dit moet de nieuwe van Thee Oh Sees zijn. De zoveelste, nummer negentien zelfs.

Veel is er op Orc niet veranderd. The Static God en Nite Expo zijn weer de vertrouwde, razende garagerockklassiekers. Oké, het voorvoegsel ‘Thee’ is uit de bandnaam geschrapt en dankzij een extra drummer echoot de ritmesectie nu even fijn als de gitaar. Maar belangrijker: John Dwyer durft vaker gas terug te nemen en laat Oh Sees behalve stuiteren ook grooven. Het ronkende orgel maakt van Cadaver Dog een slepende trip en in het spacy outro van Keys tot the Castle mogen zelfs violen meestrijken. Eind goed, al goed? Nee, want Orc telt te weinig liedjes.