‘Het OM vervolgt bij voorkeur nationale banken niet’

Fraude

Omdat tegen ING al een strafrechtelijk onderzoek loopt vanwege haar rol bij witwassen, weigert justitie de bank aan te pakken in een andere grote fraudezaak. Dat lijkt vaker te gebeuren.

Foto Koen van Weel/ANP

Twee hoofdverdachten in de Trust EU-strafzaak krijgen er eind juli voor de Amsterdamse rechter hard van langs. Hun trustkantoor aan de Herengracht was „een valse facturenfabriek” met witwassen „als businessmodel”, aldus de officier van justitie. Met het witwassen van zo’n 100 miljoen euro zetten ze „Nederland te boek als witwasland.” Het OM vindt dat „dergelijke praktijken aangepakt en gestopt moeten worden”.

De huisbankier van het trustkantoor is ING, de bank die de laatste tijd vaker wordt genoemd in fraudezaken. In maart meldde ING diep in het jaarverslag zelfs dat er in Nederland strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt naar de bank, vanwege betrokkenheid bij corruptie en witwassen. Het OM meldde Het Financieele Dagblad daarna dat het de rol van ING bij smeergeldbetalingen door telecomreus VimpelCom onderzoekt vanwege schending van de Wet tegen witwassen en de financiering van terrorisme.

Die nieuwsgierigheid naar de rol van ING inzake Vimpelcom, komt niet terug in de zaak Trust EU. De twee bestuurders van het trustkantoor worden vervolgd voor het runnen van een criminele organisatie, witwassen én valsheid in geschrift. Maar justitie weigert strafrechtelijk onderzoek in te stellen tegen de bank waarlangs alle vermeende witwastransacties liepen, zo blijkt uit processtukken in bezit van NRC. Niet omdat het OM vindt dat ING niets te verwijten valt, maar omdat er reeds een vergelijkbaar strafrechtelijk onderzoek naar de bank plaatsvindt.

Zakenman Sam van Doorn en zijn advocaat Robert Hein Broekhuijsen van Ivy Advocaten vinden het „onverteerbaar” dat ING „de dans ontspringt” en zijn een artikel 12-procedure bij het gerechtshof Den Haag gestart om alsnog vervolging door het OM af te dwingen, zo leren de processtukken. Van Doorn was financier van het trustkantoor dat op bestelling valse facturen zou leveren. Toen hij dat ontdekte, deed hij in 2010 aangifte tegen zijn oud-zakenpartner en andere betrokkenen en op basis van die aangifte stelde justitie het strafonderzoek in.

In 2015 deed Van Doorn ook aangifte tegen ING vanwege medeplichtigheid bij witwassen en belastingfraude. Ook na expliciete waarschuwingen van Van Doorn ging de bank namelijk door met het uitvoeren van betaalopdrachten.

Breed falend beleid

ING blijkt de afgelopen jaren geregeld op het netvlies van het OM te zijn gekomen. Uit het schriftelijk verweer van het OM in de artikel 12-procedure blijkt dat justitie de afgelopen jaren zeker vijf „signalen” ontving over de niet zo nauwkeurige wijze waarop ING met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is omgesprongen.

Justitie besloot vorig jaar vier van die zaken te bundelen en op basis daarvan een strafrechtelijk onderzoek te beginnen dat luistert naar de codenaam Houston. ING wordt verdacht van het „niet melden van ongebruikelijke transacties en het faciliteren van internationale corruptie en witwassen”. Justitie verwacht „een breed falend beleid” aan te tonen bij de bank wat betreft de compliance: hoe de naleving van wetten en regels in de organisatie is ingebed.

Het feit dat strafonderzoek Houston loopt, gebruikt justitie nu als argument om ING niet te vervolgen in de zaak Trust EU, omdat het mogelijk strafbare handelen ook daar samenhangt met falende compliance. ING nu ook vervolgen in de omvangrijke Trust EU-zaak zou tot „onwenselijke complicaties en vertragingen” leiden en is onder meer vanwege „efficiency” niet wenselijk, zo schrijft de officier van justitie naar aanleiding van het klaagschrift van advocaat Broekhuijsen. Ook zou de zaak niet tot extra straf leiden of zorgen dat de compliance bij ING verder verbetert.

Broekhuijsen – die geen vragen over de zaak wil beantwoorden – schrijft in de processtukken die redenering niet te kunnen volgen. „Het is de taak van het OM om ernstige strafbare feiten voor de rechter te brengen.” Hij schrijft tevens: „Een bank die heult met dubieuze relaties en kritiekloos het doorschuiven van door misdrijf verkregen gelden mogelijk maakt, dient altijd te worden vervolgd.” Volgens de advocaat is een effect van een extra onderzoek tegen ING „dat de samenleving (…) ziet dat ook grootbanken worden vervolgd indien betrokkenheid bij belastingfraude en witwassen wordt geconstateerd”.

Een bank die heult met dubieuze relaties en kritiekloos het doorschuiven van door misdrijf verkregen gelden mogelijk maakt, dient altijd te worden vervolgd

Vervolging afdwingen

Opvallend is dat Broekhuijsen, die van 2005 tot 2011 zélf als officier van justitie werkte bij het Functioneel Parket dat dit soort fraudezaken behandelt, schrijft dat „het een publiek geheim [is] dat het OM er de voorkeur aan geeft om nationale banken niet te vervolgen”. en dat deze houding „maatschappelijk ongewenst is”.

Een woordvoerder stelt dat het Functioneel Parket „vaker onderzoek doet” naar „banken, bankiers of oud-bankiers”.

Voorbeelden van strafrechtelijke vervolging van banken in Nederland zijn evenwel zeldzaam. Een recent voorbeeld is de First Curaçao International Bank van John Deuss, die onder meer wegens witwassen werd vervolgd. Die zaak werd voordat het hoger beroep diende, geschikt voor 34,5 miljoen euro. De manipulatie van de Libor-rentetarieven bij Rabobank haalde de rechter niet, maar werd geschikt voor 70 miljoen euro.

Om vervolging van banken af te dwingen zijn er de laatste jaren vaker artikel 12-procedures gevoerd, tevergeefs. Advocaat Gerard Spong kreeg Rabobank niet alsnog vervolgd in de Libor-fraude. De poging van Vestia om ABN Amro vervolgd te krijgen vanwege de verkoop van rente-derivaten strandde ook.

De raadkamer van gerechtshof Den Haag moet nu beslissen of ING in de zaak Trust EU alsnog vervolgd wordt. De advocaat-generaal heeft reeds laten weten zich „geheel” in de overwegingen van het OM te kunnen vinden. Indien het hof zijn advies overneemt is vervolging definitief van de baan. Tegen de uitkomst van artikel 12-procedures is geen beroep mogelijk.