Column

Geen promotie voor politiek

Het leek me beter er niet langer omheen te draaien. „Ik vrees dat je aan de bak moet”, zei ik tegen mijn vrouw. „Welke bak?” vroeg ze wantrouwig. „De PvdA-bak”, zei ik, en ik begon te citeren uit de berichten over de moeizaam verlopende opvolging van voorzitter Hans Spekman.

„Bijna niemand wil”, zei ik, „alle bekende leden bedanken, alsof ze een besmettelijke ziekte vrezen, dus zoeken ze nu iemand die niet zozeer een politiek leider is, maar wel de partij ‘op orde kan houden’. Nou, toen dacht ik meteen aan jou…” Ik wees naar de puike orde om ons heen die elke dag weer bevochten moest worden op mijn chaotische bewaardrift.

„Ik vrees dat ik de partij er niet nog eens bij kan doen”, zei ze met een slim lachje, „als we hier niet willen omkomen.”

„Maar zou je het willen?”

Ze schudde heftig het hoofd. „Ik moet er niet aan denken, en zeker niet na wat ik maandagavond allemaal heb gezien.”

We hadden toen de minder aantrekkelijke kanten van de Nederlandse politiek bekeken. Eerst was er die film over Jesse Klaver, die een nogal rommelige, onbeduidende documentaire bleek te zijn, meer een soort lang uitgevallen tv-reportage. Merkwaardig dat daar zoveel deining om moest ontstaan.

Vooral De Telegraaf was erg verontwaardigd geweest dat de film niet door een onafhankelijke journalist, maar door een medewerker van GroenLinks was gemaakt. Kennelijk waren ze bij De Telegraaf vergeten dat ze daar vele jaren Henk van der Meijden de kans hadden gegeven pagina’s lang zijn eigen theaterproducties te promoten.

De film zou een promo voor Klaver zijn, maar op ons had hij juist een tegengesteld effect. „Ik vond het altijd wel een aardige jongen”, zei mijn vrouw na afloop, „en het drama met zijn moeder was hartverscheurend, maar ik begin nu toch bedenkingen te krijgen. Dat gelikte gedoe, die opgerolde mouwen, al die schijnspontaniteit, de bedachte gebaartjes, de gespeelde verontwaardiging. De manier waarop hij Asscher pestte met die uitgestoken hand waar hij drie dagen op geoefend had. Je krijgt er alleen maar een afkeer van het politieke bedrijf van.”

Toen verscheen Sharon Gesthuizen, oud-Kamerlid van de SP, in Pauw. Ze had een boek over zichzelf en de SP geschreven en bevestigde het beeld dat daarin naar voren kwam: Jan Marijnissen was een autoritaire man die op een meedogenloze manier leiding gaf en in zijn partij een gesloten cultuur had laten ontstaan, waarin zijn wil wet was. Daarom was zij kansloos in de strijd om zijn opvolging: hij had al Ron Meyer aangewezen.

„Het is toch afschuwelijk wat zij daar heeft meegemaakt?” zei mijn vrouw, „wie wil daarbij horen?”

„Zou dat ook in de PvdA kunnen?” vroeg ik, „zou Asscher misschien niet ook in ieder geval een béétje autoritair zijn?”

Ze aarzelde opmerkelijk lang. „Van die kant liet hij zich wel zien in zijn strijd tegen Samsom om het leiderschap”, gaf ze toe, „maar ik vind het nog te vroeg om hem te beoordelen. Laat hem eerst maar eens een poos zijn werk doen in de Kamer”.

Een nogal diplomatiek antwoord, als je het mij vraagt (maar zij vroeg het me niet), het type antwoord dat je ook van een partijvoorzitter in spe zou kunnen verwachten. Dus wie weet.