Column

‘Als je iets raars vindt, dan zeg je het toch wel?’

Schrijver Arnon Grunberg vervangt twee weken non-stop een vader in een Zutphens gezin met vier kinderen. Hij doet dagelijks verslag.

‘Het liefst zou ik willen dat de vervangvader nu een boekje gaat voorlezen”, zegt Marjolein.

De kinderen willen geen boek, ze willen een film. Ze willen Piet Konijn, ze krijgen Piet Konijn. „Eigenlijk maak ik liever geen gebruik van filmpjes”, zegt Marjolein, „soms kan ik niet anders.”

Het avondeten zit erop. Marjolein is geen overdreven angstige moeder. Snot vermengt zich met eten, vooral de jongste heeft een permanente snotneus, eten en snot vallen op de grond en worden later toch in de mond gestopt. Te veel hygiëne verzwakt de mens.

Marjolein vraagt of ik de pasta die de kinderen hebben laten staan door de wc wil trekken. Ik weet niet of dit praktische of rituele redenen heeft.

„Als je iets raars vindt zeg je het toch wel?” vraagt Marjolein.

Ik vind niets raar.

In de badkamer poets ik de tanden van de jongste. Ze likt de tandpasta van de tandenborstel en klemt daarna haar mond dicht. Het lukt me niet haar tanden te poetsen, wel lukt het haar tong aan te raken met de tandenborstel.

Het vaderschap gaat gepaard met falen, elke vijf minuten ongeveer.

„Ga Layla maar voorlezen.”

Layla en ik gaan naar de kamer boven waar de oudste slaapt, hoewel die altijd halverwege de nacht naar het grote bed beneden gaat en dan haar vader uit het bed schopt die vervolgens noodgedwongen boven in het kinderbedje gaat liggen. Zo is mij verteld. Het matriarchaat begint vroeg.

Ik mag niet uit Pippi Langkous voorlezen. Dat mag alleen papa.

Een boek over Sinterklaas mag de reservevader wel voorlezen. Thura van 4 voegt zich bij ons en zegt: „Sinterklaas is verkleed maar hij bestaat wel.”

Een uitspraak die voor mij lijkt te zijn bedoeld: verkleed als vervangvader, maar geen verzinsel.

Marjolein vertelt: „Mijn moeder heeft vijf kinderen bij vier mannen verwekt. Mijn vader had ze uitgezocht omdat ze een halfbloedje wilde als kind. Ik werd bijna nooit geslagen omdat ik gewoon alles deed wat ze wilde.”

„Wil je nog een vijfde kind?” vraag ik.

„Ik denk er wel over na”, antwoordt ze, „laatst dacht ik dat ik zwanger was. Hoewel we wel veilig vrijen, we raken elkaar überhaupt nauwelijks meer aan. Maar ik fietste langs een paar pubers met mijn vier kinderen. En toen hoorde ik ze tegen elkaar zeggen: ‘Moet je die vrouw zien? Die heeft er flink op los geneukt.’ Zo wil ik toch niet bekendstaan.”

(Wordt vervolgd)