Recensie

‘Félicité weet wat deugt en wat niet en vecht compromisloos’

Alain Gomis

In de vierde film van de Frans-Senegalese regisseur zoekt een zangeres naar geld voor een operatie in het chaotische Kinshasa. Gomis: „Iemand die zegt dat hij niet wil meebetalen, is geen slecht mens.’”

Zangeres Félicité (Véro Tshanda Beya Mputu) en klusjesman Tabu (Papi Mpaka)

Twee dagen voor ons gesprek is zijn neef overleden en diens vrouw kan de begrafenis niet betalen, vertelt de Frans-Senegalese regisseur Alain Gomis. „Nu is iedereen in de familie aan het overleggen: doe je mee en zo ja, wat kun je betalen?” Het gebrek aan gezondheidszorg en overheidshulp in Afrikaanse landen vormt ook de achtergrond waartegen zijn vierde speelfilm, Félicité, zich ontrolt.

Zangeres Félicité vraagt, smeekt en verplicht hierin haar bekenden en minder bekenden in Kinshasa mee te betalen aan de operatie van haar zoon die een auto-ongeluk heeft gehad. Dit levert bij Gomis geen traditioneel sociaal drama op, maar een film waarin ook zang en schuddende heupen een rol opeisen en die bij momenten haast magisch-realistisch aandoet.

De wanhopige zoektocht naar geld, vaak in documentair aandoende beelden, wordt afgewisseld met muzikale optredens in kroegen en andere plekken in de Congolese hoofdstad én met feeërieke nachtelijke fantasieën. Begin dit jaar won Félicité een Zilveren Beer (Grand Jury Prize) tijdens de Berlinale.

Solidariteit in Afrikaanse landen is een onderwerp waar hij vaak gesprekken over voert, vertelt de regisseur tijdens een bezoek in Amsterdam. „Maar het zijn geen theoretische gesprekken over wat we zouden moeten of kunnen doen. Mijn neef moet worden begraven: dat is iets heel concreets. Soms heb je hulp nodig en die krijg je niet van de staat.” Ook in zijn film wilde hij een concrete situatie gebruiken als aanleiding om het over abstracte onderwerpen te hebben zoals solidariteit. Gomis’ hoofdpersonage Félicité wil koste wat kost vermijden dat het been van haar zoon wordt geamputeerd. Gomis: „Ik houd van haar gevoel van rechtvaardigheid. Ze weet wat deugt en wat niet en vecht compromisloos.” Maar de film gaat volgens hem ook over het leren accepteren van situaties, zelfs als ze onrechtvaardig zijn.

De armoede wordt in Félicité allerminst verbloemd; mensen bestelen elkaar zelfs in het ziekenhuis, collega’s zeggen dat ze wel willen meebetalen aan een begrafenis, maar niet aan ziekenhuiskosten. Gomis: „Ik wil concreet vragen wat een gemeenschap tot een gemeenschap maakt. Iemand die zegt dat hij niet kan meebetalen, is volgens mij geen slecht mens, hij zegt alleen: ‘Ik kan niet alles doen.’”

Gomis groeide op in Parijs en woont momenteel zowel in de Franse als de Senegalese hoofdstad. Hij was oorspronkelijk van plan om zijn verhaal in Dakar te laten spelen. Toen hij de muziek van het Congolese collectief Kasaii All Stars hoorde, raakte hij echter overtuigd dat Kinshasa een beter setting was. Félicité zingt in de film iedere avond bij deze muzikanten die traditionele Congolese ritmes en instrumenten combineren met onder meer elektrische gitaren. Gomis: „De muziek is een link tussen traditie en moderniteit. Voor mij is die muziek echt een uitdrukking van Afrika vandaag de dag.”

En de feeërieke nachtelijke scènes waarin we Félicité door de natuur zien dwalen? Die zijn een manier om het spirituele leven van zijn hoofdpersoon zichtbaar te maken, legt Gomis uit. „Dat spirituele leven maakt in Kinshasa of Dakar even goed een deel uit van het dagelijks leven als het sociale leven. Als er in mijn familie een grote gebeurtenis plaatsvindt, zoals een sterfgeval, zijn er talloze ceremonies. De onzichtbare wereld van onze voorouders of de plaats waar onze geest heengaat als we dromen, dat is voor ons heel reëel.”

De film bevat ook muzikale fragmenten waarin het symfonieorkest van Kinshasa Arvo Pärt uitvoert. Gomis: „In Kinshasa is er geen infrastructuur én er heerst politieke chaos, zeker nu, met een president die zonder mandaat regeert. Dat zorgt ervoor dat heel veel níét mogelijk is in deze stad. Maar dit orkest weet, al is dat schijnbaar onmogelijk, toch te overleven. Dat vind ik heel veelzeggend.”